Nog even over dat horroressay van Mathieu Segers. In het vorige nummer serveerde ik de beste knul af door tweemaal te drukken op zijn onwelriekende open wonden. Goed onderwerp, abominabel wollig geschreven en van een niveau dat verraadt dat het opgeklopteluchtproza vooral diende om af te leiden van een gebrek aan steekhoudende argumenten. Deze week is de uitdaging groter, en toch ook weer niet. Want de harige en uitgekotste gnocchi Ilja Pfeijffer is zo achterlijk dat hij het meest gelezen essay van het moment bijna woordelijk overschrijft. Iemand moet deze pseudo-Italiaanse baggerput dempen. Vooruit dan.

Het stuk van Pfeijffer verscheen 1 december op de website van HP/De Tijd met de titel ‘Het coronabeleid kan geen dag langer worden toevertrouwd aan deze demissionaire regering’. Als u het wilt lezen, moet u zich haasten: als het kolossale cokehart van Tom Kellerhuis ermee ophoudt is er niemand die het hoofdredacteurschap overneemt en gaat de pagina op zwart. Ten overvloede: Segers verscheen in De Groene van 18 november. Tijd voor essayexegese. 

Goed. We gaan beginnen. Eerst de kleine punten. Segers gaat in zijn essay te raden bij de semiotiek. ‘Een leider van een land is als een “teken van een teken” om met Umberto Eco te spreken’, schreef hij, en verderop ging hij verder in op de betekenis van tekens. Pfeijffer? ‘Ik vrees voor de tekenen, die niet te negeren zijn.’ 

Akkoord, niet echt overtuigend. Teken is immers geen vreemd woord om te gebruiken, het is geen, even denken, betonmolen, puddingbroodje of contrastvloeistof, of een andere willekeurige samenstelling. Zo’n woord zou opvallen. Zoals dat laatste woord deed bij Segers. ‘De woekerende ziekte fungeerde als een contrastvloeistof die de zwakke plekken in het lichaam van de Nederlandse staat en maatschappij deed oplichten.’ Tot welke poëzie inspireerde deze zin Pfeijffer? ‘Het virus werkt als een contrastvloeistof, die de zwakke plekken in het organisme zichtbaar maakt.’ 

Segers grootste bezwaar tegen de Nederlandse politiek was dat ze geen moer geeft om intenties, maar enkel naar het resultaat van beleid kijkt. ‘Uiteindelijk leidt dit onherroepelijk tot wat omschreven kan worden als een “politiek van gevolgen”.’ Wat maakt Pfeijffer van deze zin? ‘Het is een bestuursstijl die zich concentreert op de onmiddellijke effecten van beleid zonder zich te interesseren voor de oorzaken van problemen.’ 

Hier ontwikkelt zich voor Pfeijffer toch wel een probleem. Inspiratie opdoen in deze en gene roman, daar een pastiche van maken: helemaal prima als Joost Zwagerman je inspirator is. Maar het bijna woordelijk overschrijven van andermans werk of de ideeën van een ander gebruiken om je ego, dat te groot is om in het Colosseum te passen, en je kitschkarakter op te kalefateren is, hoe je het ook wendt of keert, diefstal. Plagiaat. Pfeijffers essay is een kopie van andermans koppie. En het hoeft ook niet het einde van zijn carrière te betekenen: Joost de Vries propt, na zijn kopieerkunst, nog steeds iedere week zijn nog steeds uitdijende reet in zijn redacteursstoel bij De Groene. 

Is er mogelijk een verband tussen de omvang van beide drillbillen en hun overschrijfneigingen? Dat durf ik niet te zeggen. Laat ik ondertussen maar doorgaan met mijn Turnitintruc. Segers heeft de dodelijk saaie mening – en dat zegt de huishistoricus – dat weinig kennis van het verleden zorgt voor problemen in het heden. ‘Het geheugen wordt een last bij de beleving van het heden, en de eenvoudige conclusies die aan die beleving verbonden kunnen worden.’ Gaap. Pfeijffer opent synoniemen.net en schrijft dezelfde Maarten van Rossemmening op. ‘Het is de stijl die de problemen van vandaag hoopt op te lossen zonder zich te laten afleiden door gisteren of morgen.’

Segers stelt dat ‘de Italiaanse pers het heeft over de Nederlandse staat als “vijand van zijn eigen burgers”’. Wat maakt de klucht van de zelfbenoemde tientoncasanova ervan? ‘De overheid heeft zich opgesteld als vijand van het volk.’ Segers heeft het verderop over ‘politiek pragmatisme’ en ‘rationele beleid’, Pfeijffer over ‘nuchter, pragmatisch en bewust onideologische kortetermijnbeleid’. 

Volgens mij begint u ook een lijn te herkennen. Classicus Pfeijffer schrijft vaker andermans werk over dan een chronisch spijbelende gymnasiast latijnengrieks.com. Maar iedere klassieketalendocent had natuurlijk zijn methoden om liegende en bedriegende lapzwansen te ontmaskeren: ga op zoek naar de fout in de vertaling. Heeft de scholier in kwestie die ook overgeschreven, dan klapt de val dicht. Zoals ik de vorige keer schreef weet de sukkelige Segers niet wat utilisme is, hij verzette zich tegen de ‘niet-ethiek’ van individueel gewin en genot. Pfeijffer snapt tenminste dat dit wel ethische posities zijn, hij noemt het ‘individualisme en concurrentiestrijd’. Segers pleit voor meer ‘kwaliteit van sociale relaties’, een frase die leest alsof je zesendertig mariakaakjes zonder water in één minuut naar binnen schrokt. Pfeijffer maakt hem iets eleganter, hij heeft het over ‘altruïsme en solidariteit’. 

Zelfs de oplossing van de voorgestelde problemen neemt Pfeijffer van Segers over. De laatste concludeerde dat ‘het Nederlandse zelfbeeld en de leidende politicus toe zijn aan correctie’, Pfeijffer versimpelt dat naar ‘de enige hoop voor Nederland is een radicale trendbreuk’. Ik kan nog meer voorbeelden tonen –  het zijn er te veel en ik zit aan het maximum van mijn aantal woorden – maar u snapt het punt. Pfeijffer is een jattende rat. En hij is dit jaar de hoofdgast op het Boekenbal en schrijft dat weggeefprulletje. Het zou me niks verbazen als het boekenweekgeschenk, in navolging van dat van Wolkers, Siebelink of Reve, Augustuswarmte, Tas met teleurstellingen of De derde jongen heet. Als HP/De Tijd en de CPNB een beetje zelfrespect hebben, gooien ze deze klaplopende, afgeschminkte clown linea recta op straat of van een burg af. In Genua schijnt een mooie hoge te staan.

TD

27 oktober

Werk aan de vertaling van de nieuwe roman van John Banville, probeer een essay te schrijven voor De Groene Amsterdammer, daarnaast ben ik bezig met een roman – min of meer een vervolg op mijn vorige. Maar vooral is dit mijn laatste week als redacteur van Propria Cures. Ik denk aan de woorden van Erik van Muiswinkel toen hij me introduceerde op een avondje waar de redactie van Propria Cures optrad. De meeste mensen, legde hij uit, zijn eerst een paar jaar redacteur van Propria Cures en worden daarna literatuurcriticus bij Het Parool, AS bewandelde de omgekeerde weg: eerst recenseerde hij achttien jaar lang boeken voor Het Parool en toen werd hij redacteur van Propria Cures. Het is een goede samenvatting van mijn bestaan, iets waar nu dus een eind aan komt, aan dat bestaan op die manier. Want Propria Cures is een manier van leven. Elke twee weken ben ik gedurende zo’n drie jaar op maandagochtend, en later op dinsdagochtend, en de laatste tijd op woensdagochtend, met een kop koffie achter mijn computer gaan zitten om een stuk voor Propria Cures te tikken. Mijn literaire carrière, die ik al behoorlijk naar de knoppen had geholpen door in Het Parool me uit te leven in de door mij geschreven recensies, bracht ik wederom klap na klap toe. Juist op het moment dat er een boek van mij uitkwam beledigde ik boekhandelaren. En kwam er een nieuw boekenprogramma op tv, dan kraakte ik dat geestdriftig af. Had ik handige contacten met netwerkende ‘schrijvers’ kunnen opbouwen (Tommy Wieringa, Ilja Leonard Pfeijffer, Pieter Waterdrinker), dan begon ik in plaats daarvan die schrijvers uit te schelden. Kortom, ik heb genoten, maar ik kon en mocht me nergens meer vertonen. Behalve bij mijn lieve en jonge vrienden van Propria Cures, die ik overigens evenzogoed meesleurde in mijn vrije val naar beneden. Ook zij raakten er dankzij mijn deskundig opgediste verhalen tijdens redactiebijeenkomsten van overtuigd dat de literaire wereld uit niets anders bestaat dan slecht schrijvende ratten en commercieel gederailleerde boekverkopers en uitgevers die zich alleen nog bezighouden met de agenda van literaire prijzen en daar hun uitgeefbeleid op afstemmen. Droomden mijn lieve en jonge vrienden van een literaire carrière voordat ik op hun levenspad kwam? Het doet er niet toe. Ze hebben inmiddels alle hoop opgegeven. Ze hebben zich net als ik vastgebeten in een haat jegens alles wat met ‘literatuur’ te maken heeft. Ze hebben zelfs van mij geleerd dat ze die aanhalingstekens om het woord literatuur moeten zetten, zoals je voor Tommy Wieringa steevast ‘schrijver’ tussen aanhalingstekens zet. Het nemen van afscheid is bij mij een proces. Meestal doe ik het dan ook niet. Met als gevolg dat ik doorgaans voordat ik netjes gedag kan zeggen eruit ben getrapt. Ik pikte de signalen niet op van mijn mederedacteuren, of ik negeerde ze, opmerkingen over mijn leeftijd hoorde ik niet (wat misschien ook iets over mijn leeftijd zegt). Ik bleef zitten waar ik zat, en ik zat daar goed. Dacht ik.

28 oktober

Gisteravond naar een promotie geweest in Leiden. De promovendus was niet meer de jongste, een man van bijna zeventig. Hij trakteerde na afloop van de plechtigheid een groot gezelschap op een etentje. De twee mensen aan wie hij het meest te danken had gaf hij elk een boek cadeau: aan de een John Steinbecks Ten oosten van Eden en aan de ander Het achtste leven van Nino Haratischwili. Romans die voor hem naar eigen zeggen veel hadden betekend. Maar dat is toch kitsch, merkte iemand zacht op. Hij bedoelde waarschijnlijk Haratischwili – Steinbeck valt misschien nog wel mee. Maar verder bleek iedereen aan de tafel waar ik zat erg te spreken te zijn over deze keuze. Ik ben er niet voor dat mensen zo openlijk voor hun ‘literaire’ voorkeuren uitkomen; het is lastig om ze daarna nog serieus te nemen. Het valt me altijd op hoe dom mensen zijn als ze boeken lezen. Het lijkt erop dat voor veel mensen geldt dat als ze al genietend bladzijde na bladzijde omslaan – lezen is goed voor je! – hun hersencapaciteit evenredig afneemt. Vandaag wakker geworden met een lijstje in mijn hoofd van zaken en mensen die ik nog in Propria Cures wil bespreken. De teloorgang van Rob van Essen, zijn banden met Schwob en de mate waarin dat zijn manier van recenseren beïnvloedt, sowieso zijn slijmen met mensen die iets voor hem kunnen betekenen, de negatieve invloed die Schwob heeft op het vertaalklimaat in Nederland (ik was In Propria Cures al begonnen met de aanval op Schwob, maar het aangekondigde derde deel heb ik nooit geschreven), de eigenaardige comeback van Arjan Peters, de mensen die hem verdedigen, de krankzinnige sympathie die er bestaat voor ‘leuke’ kleine uitgeverijen en misschien nog maar eens een stuk over hoe de lokale boekhandel zich weinig solidair met schrijvers heeft opgesteld in coronatijd. Maar ik besefte dat het niet meer hoefde.

29 oktober

Frans Kellendonk schrijft in zijn dagboek (op 30 juni 1983) over de laatste Revisor-vergadering die hij als afscheidnemend redacteur bijwoonde. Al zijn mederedacteuren krijgen nog even een trap na, waarna hij concludeert: ‘Niemand staat ergens voor, iedereen zit daar een mythe in stand te houden en een pluim op zijn eigen hoed te steken. De Revisor! De dode zielen.’ Hoe anders zijn de herinneringen die ik heb aan mijn mederedacteuren bij Propria Cures. Stuk voor stuk talentvolle en sympathieke jonge mensen. Het is de gewoonte bij Propria Cures om redacteuren aan te duiden met initialen. Dat doet geen recht aan wat ik van Melle, Mathijs, Billie, Tessa, Teun en Aron vind (in PC-traditie laat ik hier onze meelopers weg, maar van hen verwacht ik ook veel). Ik raak ontroerd als ik aan ze denk. Elk van hen kan op haar of zijn eigen wijze geweldig schrijven, en in de periode dat ik (gast)redacteur was, werkte ik dankzij hen mee aan het beste literaire blad van Nederland. Ik las het blad met enorm veel plezier. Maar daarnaast – ja, ik ga nu gewoon maar even door – heb ik mijn mederedacteuren leren kennen als erg aardige jonge mensen. Er zijn weinig redacteuren van Propria Cures uitgegroeid tot echt grote romanschrijvers, maar van mijn mederedacteuren heb ik hoge verwachtingen. Melle is erg grappig, Mathijs superintelligent, Billie is een talentvol dichter, de stukken van Tessa had ik graag zelf willen schrijven zo goed vind ik ze, Teun heeft veel gevoel voor het onderuithalen van reputaties en doet dat steeds beter, steeds meer als een echte fictieschrijver die zich toch ook aan de feiten houdt, en Aron heeft het gemeenste pennetje, terwijl ik hem in werkelijkheid heb leren kennen als een schat. Zou een van hen ooit een roman schrijven (of een dichtbundel, en dan denk ik vooral aan Billie)?

31 oktober

Verloren met dammen gisteren. Het was mijn eerste competitienederlaag van dit seizoen – misschien de avond ervoor toch iets te lang in de kroeg gezeten. Mijn vrienden van Propria Cures waren er niet eens, dus wat ik daar deed? Ik liep even rond tijdens mijn partij en een andere dammer die ik al heel lang ken zei dat ik steeds meer op mijn vader (die in 2015 is overleden) begon te lijken. Dat een zoon die ouder wordt steeds meer op zijn vader gaat lijken is natuurlijk een cliché als een dichtregel van Arjan Peters, maar waarschijnlijk heeft die opmerking er wel voor gezorgd dat ik niet veel later mijn partij verloor. Gelukkig speelde Ajax ’s avonds gelijk tegen Heracles. Straks naar Feyenoord kijken (uit tegen Sparta). Ook ben ik weer aan het lezen als jurylid voor de BNG Bank Literatuurprijs. Ben verdiept in een roman die is uitgegeven door Das Mag Uitgevers. Nou, verdiept is niet helemaal het goede woord. Waarom geven ze bij Das Mag vaak zulke saaie en slecht geredigeerde en oppervlakkige boeken uit? Hebben ze ooit iets van werkelijk literaire waarde het licht laten zien? En dat zinnetje dat ze achter in hun boeken laten opnemen – ‘Das Mag Uitgevers is in 2015 opgericht omdat we vonden dat er in de boekenwereld een hoop beter, mooier en eerlijker kon’ –, gaan ze daar nog concreet iets mee doen? Tot nu toe bleken het alleen maar holle praatjes te zijn. Das Mag is een goed voorbeeld van een pr-machine die zich voordoet als literaire uitgeverij. Het werkt, want veel mensen blijken er ontvankelijk voor te zijn. Ik heb het al vaker geconstateerd: wanneer woorden als ‘literatuur’ of ‘cultuur’ of ‘kleinschalig’ of ‘lokaal’ vallen, dan houden de meeste mensen op met nadenken en vervolgens grijpen oplichters en opportunisten hun kans.

1 november

Feyenoord heeft gewonnen van Sparta, dus we liggen nog steeds op koers om kampioen te worden. Nog iets over die leuke en sympathieke kleine uitgeverijen. Die vormen toch wel het bewijs dat je van lezen niet intelligenter wordt, wat leesbevorderaars daar ook over mogen beweren. Lezers laten zich alles wijsmaken. Er is een man die bij of voor een boekhandel werkt die beweert dat ik boekverkopers met NSB’ers heb vergeleken. Op Twitter kreeg hij voor deze opmerking talloze likes en steunbetuigingen. Die zijn van lezers, neem ik aan. Mensen die in een boekhandel komen en daar boeken kopen. Gelukkig zijn er ook nog lezers van Propria Cures. Ik vind het een eer dat ik een tijd voor hen heb mogen schrijven. Maar bovenal kijk ik met vreugde terug naar de tijd die ik heb beleefd met Melle, Mathijs, Billie, Tessa, Teun, Aron en de meelopers. Terwijl ik steeds meer op mijn vader ga lijken, zijn zij mensen die hij tot hun grote geluk nooit heeft gekend. Bijzondere mensen. Talentvolle mensen. Mensen die de literatuur gaan redden en die prachtige romans, dichtbundels, essays en columns gaan schrijven. Of gewoon een gelukkig leven gaan leiden.

AS

Gijs Groenteman was bij zijn geboorte al een teleurstelling. Zijn vader had gehoopt op een abortus en zijn moeder op een maagverkleining, maar allebei kregen ze Gijs Groenteman. Daarna werd het alleen maar erger: op het Barlaeus bleef hij drie keer zitten en toen hij eindelijk klaar was besloot hij bij de VARA te gaan werken. Daar had zijn moeder (Hanneke Groenteman; ik haal de elephant maar even uit de room) furore gemaakt dus hij zou er ook wel even een grote ster worden. Maar zijn hoofd paste nét niet tussen de dijen van Paul de Leeuw en toen was hij plotseling veertig en al heel lang presentator van het VARA-nachtprogramma op Radio 6. Met de moed der midlifecrisis klopte hij aan bij het Parool (daar had mama toch ook nog even gewerkt?) en kreeg zowaar een column. Die was hij na een paar weken alweer kwijt omdat hij de hele tijd het woord ‘alras’ gebruikte. En toen bleek Aaf Brandt Corstius (zijn vrouw) ook nog eens níét onvruchtbaar. Nog een kleine dertig jaar, dacht Gijs Groenteman, en dan is het allemaal voorbij. Als het een beetje meezit krijg ik een necrologie van anderhalve alinea op nu.nl/achterklap.

Maar toen, als bij toverslag, kreeg Gijs Groenteman een geniale ingeving; hij besloot te gaan interviewen. Geniaal, want ‘interviewer’ wordt in Nederland nog net niet met een hoofdletter geschreven. De interviewer verstaat de kunst van het luisteren. Écht luisteren. Maar als het moet kan hij ook prikkelen. Uitdagen, verleiden haast. Soms diplomatiek, soms onorthodox. En hij is altijd hongerig. Interviewen is een kunst, een ambacht. Er zijn zelfs meesterinterviewers.

En dat terwijl interviewen ontzettend makkelijk is. Als je bij een IQ-test de zestig aan kunt tikken ben je er eigenlijk al. Er zijn in Nederland maar twee mensen (mannen) die dat niet halen: Harry Mens en Ivo Niehe. Die zijn inderdaad te dom om te interviewen. Voor alle andere interviewers geldt dat het interview zo goed is als de geïnterviewde. Een interview met Gerard Reve is altijd goed, een interview met Memphis Depay is altijd slecht. De interviewer heeft daar niets mee te maken. Die hoeft alleen maar een tiental feiten uit zijn hoofd te leren (of op te schrijven) en af en toe een stilte te laten vallen. Pieter van der Wielen, Frénk van der Linden en Coen Verbraak zijn alleen maar meesterinterviewers omdat ze heel vaak interviewen. 

Dus vroeg Gijs aan Aaf of hij een keer mee mocht naar de redactie van de Volkskrant en eenmaal binnen verschanste hij zich met een voicerecorder in de archiefkast. En ja hoor – na een aflevering of tien begint Met Groenteman in de kast zijn vruchten al af te werpen: Gijs krijgt een eigen avond in de Balie. Maar nog belangrijker is wat er in de aankondiging staat: ‘[we] duiken samen met meesterinterviewer Gijs Groenteman diep in het intense kunstenaarschap van S10.’ Het is hem gelukt. Gijs Groenteman is een meesterinterviewer. Eindelijk duikt hij diep. In een intens kunstenaarschap bovendien. 

En hij mag nu net als Coen Verbraak en Frenk van der Linden (ik heb een paar alinea’s terug al een accent aigu op de ‘e’ in de naam ‘Frenk’ gezet en dat lijkt mij meer dan genoeg) interviews geven over interviewen. In de Volkskrant: ‘Als interviewer beweeg ik mee met mijn gast. Waarmee ik niet wil beweren dat ik totaal niet kwaadaardig ben. Ik ben me goed bewust van het feit dat een interview entertainment moet zijn.’ Dat klinkt allemaal erg interessant, of nou ja, eigenlijk klinkt het vooral alsof Gijs denkt dat het erg interessant klinkt, maar duidelijk is anders. Misschien is het beter te begrijpen als u een van zijn interviews heeft gehoord.

Doet u gerust een poging. Verder dan een half interview kwam ik in elk geval niet. Gijs Groenteman heeft namelijk de stem van een koorknaap die net iets te laat is gecastreerd. Hij interviewt Adriaan van Dis, een schrijver die zelf ook meesterinterviewer is. Van Dis: ‘Ik kan niet wachten tot ik lid kan worden van een zoekmachine waar ik voor betaal.’ Groenteman: ‘Nou ja, Wikipedia is natuurlijk een website zonder cookies of weet ik veel wat.’ Adriaan: ‘Ja, maar er staan wel hartstikke veel fouten op.’ Gijs (geaffecteerd): ‘Ja, zeker.’ Dit moet het meebewegen zijn waar hij het in de Volkskrant over had. ‘Je hebt een beroemd ruzieachtig interview met W. F. Hermans gemaakt op de televisie, dat hierover [Zuid-Afrika] ging. Hij was daar wat langmoediger [sic] in?’ Adriaan van Dis legt uit dat hij Hermans gewoon een naïeve kankermongool vindt. Gijs beweegt weer mee: ‘Eigenlijk hadden jullie allebei je persoonlijke motieven?’ Waarom heet dit gesprek nog een interview? Omdat het over interviewen gaat? Omdat ze de hele tijd elkaars naam zeggen? Één ding is zeker: de necrologie van Gijs Groenteman zal, net als die van Adriaan van Dis, op nu.nl/cultuur verschijnen. 

AG

U zult wel denken: is september niet te vroeg om te zeiken over kerstliedjes? Moeten niet eerst de truffelpepernoten de winkel uit, de boom worden opgetuigd en uw aanstaande ex, na een twistgesprek over het gebruik van de bordeauxrode servetten of de geërfde zilverkleurige met goudafgezette randen tijdens het diner, afgetuigd? Het zal allemaal wel: mijn blad, mijn ergernissen. Mijn gal komt omhoog door de klassieker ‘De herders lagen bij nachte’, een leugenachtig propagandalied dat enkel overtroffen wordt door René Frogers ‘Een eigen huis’, en dan specifiek door één frase: ‘daar hoorden ze d’engelen zingen’. Engelen zingt niet, hij schreeuwt, raaskalt, blaft door een megafoon heen, terwijl hij deze niet nodig heeft, want met zijn volume is hij in staat om de voorspelde aardbeving onder Istanbul in gang te zetten. Wat zegt u? Heeft dat kerstnummer niets met Ewald Engelen te maken? Verrek, wat scherp! Maar laten we het nu toch maar even over hem hebben.

U kunt deze man kennen van zijn columns in De Groene Amsterdammer waarin hij tweewekelijks een tirade houdt over de hoogopgeleide elite die dit land naar de knoppen helpt. Dat het anonieme twitteraccount @Peter1456891 dezelfde mening eropna houdt en daarmee in een beweging de stelling van prof. dr. E. R (die R staat voor Rombaut. Rombaut! Blijkbaar is gekte genetisch overdraagbaar!) Engelen ondergraaft, deert hem niet. Er is ook een kans dat u hem kent omdat u een seminarium in financiële geografie, zijn zelfgecreëerde vakgebied, bij hem volgt, hoewel hierbij moet worden opgemerkt dat de kans groter is dat u in de Bilderdijkstraat wordt aangereden door een noordelijke witte neushoorn dan dat u daadwerkelijk onderwijs van Engelen krijgt. Onderwijs geven is voor aio’s, de kneusjescolonne waarvan iedereen drie dagen gratis arbeid moet verrichten omdat overuren uitbetalen een gewoonte was die met Den Uyl mee het graf in ging, de verdrukte arbeiders waarover hij iedere keer dezelfde opgefokte column uitbraakt, en daar staat deze hoogleraar ver boven.

Wat doet Rombaut dan voor die ruim € 8000, – per maand? Twitteren dat Ernst Kuipers een enkeltje concentratiekamp moet krijgen. Foto’s uploaden van het uitzicht over de Nederrijn van zijn villa in Heveadorp. En af en toe een boekje schrijven. Zo kwam dit voorjaar Ontwaak! Kom uit uw neoliberale sluimer uit, een schotschrift waarin Engelen laat zien dat een weerlegging van zijn stelling door een zelf aangedragen tegenvoorbeeld niet betekent dat zijn hypothese onwaar is, maar dat hij juist harder moet schreeuwen en zijn toevlucht moet nemen tot hyperbolen en metaforen om zo een letterkots op te boeren waarvan zijn lezers hun gezicht afwenden. Voorbeeld. Alles in Nederland – en dan bedoelt Engelen ook echt alles, hij fulmineert over ‘een door drank, drugs en seks doordrenkte “belevenisindustrie”, bestaand uit exotische vakanties, festivals en extreme sportevenementen’ – is de schuld van hoogopgeleiden. En wij altijd maar grollen over de dozijnen media en cultuur-meisjes die de universiteit ieder jaar de werkloosheid intrapt; blijken ze in werkelijkheid de wereld te besturen! Hoogopgeleiden zijn volgens Engelen dus een samenklittende groep die mbo’ers negeert. Prima stelling, al is het niet de mijne, want ik scheld de minifascisten in reflecterend uniform die een kruispunt proberen te overheersen consequent uit, dus het verwijt dat ik de diplomalozen niet zie staan, glijdt geheel van mij af.

Het wordt lachwekkend als Engelen verderop in zijn boek tekeer gaat tegen het curriculum van de universiteit. Studenten moeten worden opgeleid tot ‘waarheidssprekers die zijn geoefend in het leveren van fundamentele maatschappijkritiek, die steeds op zoek zijn naar de achterkant van het gelijk, die zich niet met een kluitje het riet in laten sturen’. De studenten die dát kunnen, dat zijn wel goede lui. Dus alle hoogopgeleiden zijn fout, maar de goedopgeleide hoogopgeleiden zijn goed, zegt prof. dr. Engelen. Het is een menukaart met Schrödingers kat op een toastje als amuse, een liegende Kretenzer als hoofdgerecht en als toetje een tirade uit Wappiestan over het falende ICT-beleid van de rijksoverheid die tegelijkertijd dankzij een vaccinatieprogramma een chip bij ieder burger inbrengt om zo bloed en DNA af te tappen. 

Staat er dan geen goede zin in het hele boek? ‘Wie zich overschreeuwt verraadt zijn eigen onzekerheid, zo luidt de ijzeren wet van de psychologische overcompensatie.’ Inderdaad, Ewald, inderdaad.

Eigenlijk wilde ik hier zijn boekje laten rusten, verder gaan met de rest van zijn onzin, maar ik kan het niet. Ik ben een diabetisch kind in een snoepwinkel en prop me vol. Wat denkt u van deze? ‘In al zijn geschriften wijst Max Weber op de keerzijde van voortschrijdende technische rationaliteit. Hoe meer waarden, affecten, emoties en het mysterie van God en Schepping uit ons dagelijks leven verdwijnen, hoe meer wij ons gevangen weten in een stalen kooi van bureaucratische afhankelijkheden. […] Het staal van de bureaucratische kooi is koud vergeleken met de warmte van de naastenzorg die kerk en gemeenschap vóór de intrede van het individualisme en het secularisme van de Verlichting bood.’ Bij dit tromgeroffel zie ik mistige Thüringens bossen opdoemen, waartussen Engelen in de ochtend met behulp van twee paarden zijn akker bewerkt en daarna trouw met zijn fokvrouw, die is gedecoreerd met het Ehrenkreuz der Deutschen Mutter, en hun acht kinderen – Günter, Parsifal, Friedrich, Gunnhildr, Freya, Heinrich, Baldr en Reinhard – naar de dagelijkse rundfunktoespraak van de Führer luistert. Vergeleken met dit geblaat is Andreas Kinneging de bedrijfspoedel van RuPaul.

De pamflettenprofessor heeft de laatste jaren niet stilgezeten. In 2016 verscheen De mythe van de gemaakte vrouw: nieuw licht op het feminisme, zijn interpretatie van Simone de Beauvoirs De tweede sekse. Ik zou nu een lollige of snedige opmerking kunnen maken over wat feminisme te maken heeft met financiële geografie, of een absurdistische vergelijking maken tussen muterende zeepaardjes en geobstipeerde darmen, maar ik ben nederig, ken mijn grenzen: het valt allemaal in het niets bij Engelens koeterwaalse redeneringen van hierboven. Vorig jaar verscheen er nog een heus wetenschappelijk paper van hem, wat hem daarvoor voor het laatst in 2017 was gelukt. ‘What comes after the pandemic? A ten-point platform for foundational renewal’, gepubliceerd op een obscure, zelfbeheerde wordpress-website, geen enkel peer-reviewed tijdschrift had de behoefte om deze zesduizend woorden af te drukken. Mocht u zich zorgen maken om de werkdruk van de hoogleraar, dan stel ik u graag gerust: met drieëndertig man schreven ze dit artikel. Dat komt neer op een kleine honderdtachtig woorden de neus, dus als ik deze nutteloze zin even in deze alinea fiets, bevat ze er meer dan Engelen, als we ervan uitgaan dat hij überhaupt iets heeft gedaan, heeft bijgedragen aan zijn enige publicatie uit 2020.

Twee pamfletjes, een paar honderd woorden in een niet-gepubliceerd paper en een enkele boekrecensie hier en daar. Dat is de oogst van vijf jaar je eigen leerstoel managen. Het is niet erg dat Engelen nog luier is dan een zesdejaars rechtenstudent die voorafgaand aan zijn studie al verzekerd is van een plek in de maatschap van zijn vader. Ook niet dat hij op boekentour ging met Marianne Thieme en dat hij voor haar zijn vrouw en kinderen in de steek liet. Engelen schreeuwt en eist zuiverheid, is manisch en manicheïstisch. Hij laat geen ruimte voor de menselijke smet, de eeuwige hypocrisie, het geploeter over de akker van onwetendheid. Maar wie zuiverheid wil moet boven de schoorsteen van Treblinka hangen, het ruikt naar verschroeid mensenvlees. 

‘Alleen in naam is de Nederlandse universiteit een meritocratie; in de praktijk is ze een reservaat van verwende academici’, schreef een hoogleraar eens. ‘Nog altijd worden medewerkers getolereerd die zich met minimale inspanning van hun academische verplichtingen kwijten. Nog steeds staan Nederlandse universiteiten het toe dat medewerkers maandenlang niet op het werk verschijnen’, bulderde hij. ‘Loop voor de grap eens een faculteit binnen. Wat ziet u? Lege gangen, lege kamers, doofstomme computers. De Nederlandse academicus werkt immers thuis; de (schamele) investeringen van werkgever in gebouw, organisatie en infrastructuur ten spijt. Het zijn de vele indicaties van misbruikte collectieve generositeit (goudgerande arbeidscontracten, “spookprofessoren”, snoepreisjes) die de directe aanleiding zijn geweest om academici te dwingen meer rekenschap af te leggen over de besteding van wat uiteindelijk publieke middelen zijn.’ Allemaal misstanden aan de Nederlandse academie! Wat moeten we doen met deze luilakken? ‘Schop de uitvreters eindelijk eens de tempel uit!’ Was getekend: Ewald Rombaut Engelen. 

Dus Ewald, beste makker, wees consequent. Wees een vent en hang je toga aan de wilgen. En jezelf erbij. 

TD

Van J.D. Salinger was bekend dat hij uitsluitend schrijvers las die lang en breed dood waren. Dat is misschien een beetje een overdreven aanpak. Bovendien kan die snel tot een karikatuur verworden. Kitschauteur Pieter Waterdrinker deelde ook een keer mee dat hij alleen nog doden las. Want die schrijvers van nu konden er allemaal niks van en de jeugd moest hem, Pieter Waterdrinker, niet, en niemand moest hem, en nu hij er toch over begon: ze pestten hem allemaal, en hij was toch eerder een auteur in de lijn van Dostojevski en Nabokov en Tolstoi, en Nederland was een tyfusland, en… Kortom, welkom in het gekkenhuis, waar de patiënten immers ook altijd schijnen te denken dat ze Jezus of Napoleon zijn en waar ze wéten dat echt iedereen tegen ze is.

Van Salinger naar Waterdrinker, dat is best wel een grote stap, of liever gezegd duik naar beneden. Van Pieter Waterdrinker naar Abdelkader Benali is echter maar een klein huppeltje, al is de ene netwerker uiteraard niet de andere netwerker (ik had hier eerst antisemiet staan, maar Benali is natuurlijk geen antisemiet, alleen als hij dronken is). Benali vindt, schreef hij in een column in Trouw, dat je alleen nog levende schrijvers moet lezen: ‘We moeten voorbij de canon van de babyboomers.’ Benali bedoelde eigenlijk de witte babyboomers, want een oude knar als Alfred Birney kon weer wel: de studie Nederlands moet, merkte Benali op, zien af te komen van ‘het ongewenste label’ dat het ‘een spierwitte studie’ is. Let op: Benali schrijft niet wit maar spierwit; hij heeft het niet over zomaar een label, maar over een ongewenst label. Dit taalgebruik is bepaald niet subtiel of suggestief. Het heeft niets met literatuur te maken, laat dat duidelijk zijn. Maar goed, laat die Benali maar lekker doortikken, zullen ze bij Trouw hebben gedacht, want, en, nou, ja – je weet eigenlijk niet wat ze op zo’n krantenredactie precies denken. Ik denk dat ze bevangen zijn door algehele krankzinnigheid.

Hoe dan ook, de column van Benali was tegen het zere been van allerlei neerlandici. Ze sputterden in elk geval een beetje tegen. Daarna wisten ze niet hoe snel ze Benali moesten aanwerven om lezingen op diezelfde universiteit die hij zojuist nog had beledigd te verzorgen of hoe spoedig ze hem moesten uitnodigen voor boeiende discussies over dit door hem aangezwengelde bijzonder interessante onderwerp.

Ik heb ook Nederlands gestudeerd en o god, wat schaam ik me voor mijn collega’s. Terwijl ik dit tik zijn ze op Twitter zelfs een actie begonnen onder de hashtag WIJZIJNNEERLANDICI. Ze leggen uit waarom ze Nederlands zijn gaan studeren en hoe belangrijk die ervaring voor hen is geweest en hoe fijn het voor anderen zou zijn om ook Nederlands te studeren.

Jeroen Dera, die inmiddels literatuuronderwijs onderzoekt en poëzierecensent is (lees ik op zijn tijdlijn), deelt mee dat er veel goede redenen zijn om je op universitair niveau in onze letteren en taal te verdiepen. En dan komt het: ‘Ik studeerde Nederlands, omdat spelen met taal mij op de middelbare school in het hart raakte.’ Ik denk dat sinds het pedonummer er geen viezere zin in Propria Cures heeft gestaan dan die ik zojuist van Jeroen Dera heb geciteerd. Spelen met taal. In het hart raken. De universiteit als kleuterspeelplaats waar je elk moment clichémannetje Jeroen Dera tegen het lijf kunt lopen. Moeder ga voor uw kind staan, Jeroen Dera komt eraan.

Lees ik schrijvers van nu, romans en gedichten van jonge mensen, gewoon, buiten de universiteit om, op mijn eigen houtje? Zeker. Ik lees zelfs ook boeken van mensen die doceren aan de universiteit. Een mooi boek is, ik noem maar wat, Verrek, het is geen kunstenaar van Edwin Praat. Het gaat over het schrijverschap van Gerard Reve. Reve is al een tijdje dood, maar volgens mij leeft Edwin Praat nog wel.

Dat is een van de aardige kanten van lezen: je kunt (over) dode en levende schrijvers lezen, over vroeger en nu, en zelfs over de toekomst, en om helemaal precies te zijn lees je als je literatuur leest eigenlijk helemaal nooit óver iets, nee, je leest iets wat er eerder niet was, je leest namelijk literatuur. Ik formuleer dit even zo scherp omdat dit vaak wordt vergeten, er wordt zelfs doorgaans niet aan gedacht. Er is hier al met al sprake van een iets ingewikkelder kwestie. Je ziet het de mensen die pleiten voor een universitaire studie Nederlandse taal- en letterkunde doen en ook Benali is van deze aanpak: ze devalueren literair taalgebruik en maken er een eenvoudig voertuig van voor het overbrengen van bepaalde menselijke waarheden en waarden. Literatuur en de bestudering ervan wordt een aanvulling op moraalfilosofie. En een moraal, dat is precies waar literatuur niet om gaat.

Zolang literaire fictie, of creatief schrijven, of scheppend proza, in dit licht wordt beschouwd, blijft het altijd een studie die zich ondergeschikt maakt aan andere studies, en zullen de Benali’s van deze wereld munitie in handen hebben om de studie Nederlands af te schieten. Arme schrijvers, dood of levend, die aan de hand van dergelijke moralistische of modieuze termen onder het vergrootglas worden gelegd. Neerlandici die de discussie met Benali aangaan, zetten de bijl aan de wortel van hun eigen vak. In plaats van dat ze trots zijn op hun eigenzinnigheid laten ze zich door Benali meeslepen de modder in – het slijk der onwetendheid. Ze moeten tegen Benali zeggen dat hij op moet tiefen.

AS

Archief