De coronacrisis heeft duidelijk gemaakt dat de venijnige lite­raire wereld – of de boekenwereld in het algemeen – er een is van eten of gegeten worden. Volgens mij heb ik in de vorige zin alles gedaan wat Stephen King verboden heeft, en in deze zin doe ik het weer. In Over leven en schrijven legt King uit dat je twee soorten werkwoordsvormen hebt: actieve en passieve. De passieve vorm moet je vermijden. Verder meldt hij dat het bijwoord niet je vriend is. Die opmerking zet hij zelfs cursief. De weg naar de hel is geplaveid met bijwoorden, laat King een paar alinea’s verder voor de zekerheid weten. Wat hij verder ook is, een subtiele schrijver is King niet. Inzichtelijk is zijn boek met leef- en schrijftips wél: je ziet waar Jan van Mersbergen zijn primitieve literatuuropvattingen vandaan heeft. Maar over Jan van Mersbergen – verrassende wen­ding! – gaat dit stuk niet. Het gaat over de literaire wereld en wat de coronacrisis daarover duidelijk maakt.

Schrijvers zijn in deze tijd altijd als eer­ste de pineut en je hoort er niemand over. Ik ben schrijver en ik vind het het mooi­ste beroep van de wereld. Voordat ik wat ik nu doe de hele dag deed, deed ik an­dere dingen. Ik heb gestudeerd, ik heb in dienst gezeten (ik was soldaat, geen officier), ik ben pr-functionaris geweest, ik heb zelfs een tijdje in een boekhandel gewerkt, bij Boekhandel H. de Vries in Haarlem, en ik heb in de porno-industrie gezeten. Ik ben ook recensent geweest – in die hoedanigheid besprak ik boeken van anderen voor een krant. Maar wat ik allemaal ook heb gedaan, niets bezorgt me zoveel vreugde als wakker worden, een kop koffie maken, aan mijn bureau gaan zitten en dan schrijven, precies zo­als ik nu doe, op dit eigenste moment. Dit is mijn situatie. Het is mijn leven.

En nu schrijf ik dít stuk, maar meestal zit ik hier een roman te schrijven. Of een toneelstuk. Ik schrijf, kortom, doorgaans aan wat wel een creatieve tekst wordt genoemd. Ik houd me bezig met fictie, met een niet-bestaande wereld. Ik doe iets wat veel mensen misschien wel zou­den willen doen. Maar dat kan niet. Niet iedereen kan schrijver zijn. Er zijn ook mensen die bijvoorbeeld in een boekhan­del moeten werken; zoals gezegd, ik heb dat zelf een poosje gedaan, daar schaam ik me niet voor. Een boekhandel bestaat echt, het is geen fictie – dat wil zeggen zolang dát nog duurt, dat de boekhan­del bestaat. In een boekhandel kan het bijvoorbeeld maandagochtend zijn. En op maandag kan het je allemaal weleens naar de keel grijpen.

Steven van Ammel is zo’n boekhande­laar voor wie het ook soms maandag is – voor wie het misschien zelfs wel elke dag maandag is. Daarnaast schrijft Van Ammel voor een krant. Hij heeft een column, begrijp ik van Facebook, in De Standaard der Letteren. Hij schrijft daar, zo liet hij ons trots door middel van het plaatsen van een foto van de column op Facebook weten, onder meer het vol­gende: ‘Het is een maandag, sowieso de slechts [sic] mogelijke dag om me uit te leggen hoe ik mijn passie moet belijden.’

Oké, het is niet meteen erg goed geschre­ven, het is zelfs slecht geschreven. Ge­lukkig bevat het wel een feitelijke mede­deling: het is maandag. Op welk moment in dit, míjn stuk, kan ik het woord ‘kan­toorhumor’ laten vallen. Nou, nu dus, het is gebeurd, het woord is gevallen. En verder gaan we. Wat voor verschrikke­lijks gebeurde er op de maandag waar­over Van Ammel het heeft? Dit: er kwam een schrijver de boekwinkel binnen.

Ik laat hier een stilte vallen, dat geef ik aan door met een nieuwe alinea te begin­nen (ik doe dit allemaal voor jou, Steven). Ik kijk uit het raam. Ik adem, ik leef. Ik kan door, wíj, Steven en ik, kunnen door. Wat gebeurde er? Steven, vertel, wat ge­beurde er? Dit. Die schrijver waagde het zich voor te stellen als de auteur van een van de boeken in de winkel. Van Ammel beschrijft de schrijver: ‘Hij zegt het op zo’n zelfvoldane wijze dat ik zelfs achter zijn mondmasker de grijns zie.’

Ik stel me voor dat Stephen King nu zo’n beetje in elkaar krimpt van ellende, de weg naar de hel is breed. Maar goed, een boekhandelaar hoeft natuurlijk niet te kunnen schrijven, maar hoe neerbuigend kun je zijn jegens een schrijver? Wat is Van Ammel hier aan het doen? Wees gerust, ik zal hier niet elke zin van zijn stukje met jullie doornemen. Het gaat me om de gedachte die erin wordt uit­gedragen. Om een fenomeen. Een trend. De schrijver die niet direct superveel verkoopt, verdient het om geminacht te worden. Elke dag komen er bij Van Am­mel, maar ook bij andere boekhande­laren, schrijvers de winkel binnen met zelfvoldane grijnzen achter ‘mondmas­kers’ die vragen waar hun boek ligt. En dat mag niet! We hebben het allemaal moeilijk, maar vooral de boekhandelaar heeft het moeilijk, niet de schrijver, die moet zijn mond houden.

Dat brengt me toch weer bij Jan van Mersbergen. Jan, schrijver van beroep, had een stukje geschreven en op Face­book geplaatst waarin hij als je het érg goed las heel misschien iets kritisch kon lezen over lezerscommunity Hebban. Die brave Jan! Altijd voorzichtig, altijd met iedereen aan het slijmen en nu had hij eens een keer een heel klein beetje kritiek. Hij kreeg prompt de wind van voren van Hebban-clublid Gigi van de Loo. Gigi van de Loo schreef in een re­actie: ‘O ja, volgens mij kun je [Jan dus] beter gebruik maken van de positieve kanten van Hebban, zoals met die leuke leesclub van onlangs, dan deze lezers te­gen je in het harnas jagen.’

Een schrijver bedreigen, of wegzetten als een zelfvoldane idioot… dat blijkt de meeste mensen gemakkelijker af te gaan dan solidair te zijn met hem of haar. Be­halve natuurlijk als de schrijver in kwes­tie een enorm goed verkopend fuifnum­mer is, dan kun je hem rustig steunen. Maar een schrijver die zich een beetje bezorgd maakt over zijn situatie, kan rustig belachelijk worden gemaakt en worden weggezet als iemand die mislukt is. Tot zover de solidariteit van boekhan­delaren en lezerscommunity Hebban met schrijvers. In de porno-industrie gingen ze netter met de acteurs om, zelfs als die niet succesvol waren.

AS

Dat het Nederlandse mediaveld een incestueus rattennest is wist u natuurlijk al. Afgelopen week werd dit nogmaals in uw gezicht gespuugd door de winstcijfers van DPG. 178 miljoen euro mocht de Vlaamse familie Van Thillo afgelopen jaar bijschrijven, mede mogelijk gemaakt door alle clickbait van de Onbetrouwbare Mannetjes in de Volkskrant, Holmans hetzes in Het Parool, Eus’ opgeboerde snackbarhap in Algemeen Dagblad en Euphemenico’s tweedagelijkse poging om de evolutionaire kloof tussen mens en gorilla te overbruggen in Trouw. Wilt u ontsnappen uit de klauwen van de Vlaamse leeuw? Kansloos. Mediahuis, de andere oligopolist met een hoofdkantoor aan de Schelde, bezit NRC en de Duklander Courant. Maakte in 2020 bijna 59 miljoen winst. En wat strijkt een freelancer bij deze kranten op? 14,5 cent per woord. En dat na een opslag van meer dan tien procent. Die Belgen mogen zich dan in 1830 hebben afgescheiden, de gierigheid hebben ze zich in minder dan 200 jaar goed eigen gemaakt.

Maar we moeten niet doen alsof al het kwaad bij Zundert het land binnenkomt. Het baantjes toeschuiven in letteren­land is endemisch. Neem Femke van der Laan: met haar column in Het Parool heeft ze meer geld opgehaald dan Eber­hard in zijn leven erdoorheen pafte. En wat is haar talent? Trouwen met een ter­minale vent. Dan is er ook het prinsesjeslegioen. Natascha van Weezel is op de bagagedrager van haar vader krantenkolommen binnengereden en verdedigt haar stellingen alsof het joodse nederzettingen op de Westelijke Jordaanoe­ver zijn. Charlotte Remarque wandelde door de door huisgenoot Papa opgezet­te deuren de Volkskrantredactie binnen. Als Alma Mathijsen niet de dochter van Marita was geweest had u haar enkel ge­kend als de kassière van de Albert He­ijn op de Westerstraat die u, na meerde­re malen de muntjes op de toonbank te hebben gelegd, altijd te veel of te weinig wisselgeld geeft. En hoe Jessica Kuiten­brouwer – inderdaad, u kent haar van… – afgelopen zomer aan een dagelijkse column in de Amsterdamse middagkrant kwam blijft in het ongewisse, maar het helpt wel als je de dochter van mediage­rontocraat Jan Kuitenbrouwer bent.

En als u denkt dat ik een seksist ben en enkel vrouwen onder handen neem, wijs ik u op het platonisch partnerschap Joost de Vries en Philip Huff. Die laatste haalt zelfrespect uit de 23 pandapuntenzegels die hij in zijn open relatie bij elkaar heeft gesprokkeld. Joost schuift Philip op­drachten van De Groene toe om de arme jongen van de bedelstaf te redden. Om u in herinnering te brengen: Huff ontving € 15.000, – voor een boek dat niet gaat verschijnen. (Mocht u denken: dat weet ik al, dat klopt. U weet het, ik weet het, Huff weet het. Die laatste las het in zijn jongeschrijversappgroep. Hij snapte niet waarom ze hem, nou altijd hem, moes­ten hebben bij PC. Ik schrijf het punt van de onterechte letterensubsidie nogmaals op, want het zou zonde zijn als dit soort nieuwtjes uit het publieke geheugen ver­dwijnen. Trouwens Philip, waarom heb jij je Wikipediapagina aangepast? Om­dat daarop verwezen werd naar een ne­gatieve recensie? Omdat je, aldus Jopie in zijn nieuwste boek, ‘een bepaalde re­censent van Het Parool haat’? 19 maart 2021, 23:58. Het is beter om dronken uit de buurt van je smartphone te blijven!) En Joost, ach arme Joost, wil zich vooral intellectueel voelen, dus omringt hij zich met Flippie’s om de Tiger Woods van de midgetgolfbaan te zijn. En als het tegen­deel het geval is, als hij geconfronteerd wordt met een artikel dat hem niet be­valt, zoals een waarin zijn vriendin een ‘dom gansje’ wordt genoemd door een Europarlementariër en de auteur de­zes dat slechts opschrijft, verklaart hij de boodschapper tot persona non grata. Maar wel in stijl, dus achter zijn rug om.

(Ik wil het toch ook voor De Vries op­nemen, want om zo vaak te kakken wor­den gezet om je intellectuele impotentie – in dit blad, in NRC, eigenlijk overal waarvoor hij niet schrijft – is niet leuk. Altijd maar die verwijten van plagiaat of voorspelbaarheid. In De Groene van 24 februari kwam De Vries met een verras­send en nieuw inzicht: Chinezen die protesteren tegen de bezetting van Nepal. Misschien had ik deze daad van agres­sie tussen de kaalscheercampagne op de Oeigoeren en strijd om de benoeming van Panchen lama gemist, maar ik heb het gevoel dat De Vries minder hoog­dravende boeken moet lezen en in plaats daarvan beter Netflix kan opstarten. Ik kan die ene film met Brad Pitt van harte aanbevelen.)

Genoeg gekankerd. Er is één medium in Nederland dat opstaat tegen deze kringvingercapriolen: De Correspondent. Zij doet niet mee aan de waan van de dag, creëert geen ophef of lokt lezers met doortrapte reclameslogans. ‘Wij kijken niet naar het sensationele, maar naar het fundamentele,’ staat in het oprichtings­manifest. Stelling 9: ‘We stellen de jour­nalistiek altijd boven financieel gewin.’ Zo ziet u maar: De Correspondent is an­ders. Beter dan de rest.

Wie de stapel boeken die De Correspon­dent de laatste jaren op de markt heeft gedumpt bekijkt, ziet op iedere flap de een na de andere schrijver of journalist de loftrompet opsteken. ‘Thalia Verkade is er zo eentje die verder graaft waar an­deren ophouden, en uiteindelijk met de meest prachtige en vooral verrassende ontdekkingen en inzichten weer boven­komt,’ complimenteert Joris Luyendijk de schrijfster van Het recht van de snel­ste. Maar het is nogal wiedes dat Luyen­dijk het goed vond, want de Correspon­dentstukken waaruit het boek bestaat zijn onder zijn neus als editor-at-large bij het medium gepubliceerd. Ziet u het voor zich, een redacteur die een boek van een collega, al dan niet terecht, de grond inboort? Dat zou niet goed zijn voor de verkoop, dus gebeurt het niet.

Op dezelfde kaft pronkt, naast een af­beelding van een schildpad, een sticker met de tekst ‘Dit boek laat je anders kij­ken’ van reptiel Arjen van Veelen, die zelf ook op de loonlijst van De Corres­pondent staat. Van Veelens boek Ameri­kanen lopen niet – toevallig ook uitge­bracht door De Correspondent – werd ook met niets anders lovende blurbs uitgebracht. ‘Wat kan een witte Neder­lander mij over mijn geboorteland ver­tellen? Meer dan ik dacht.’ Clarice Gar­gard. ‘Een van de heerlijkste pennen van Nederland.’ David Van Reybrouck. En voor welk medium schreven deze twee? Inderdaad. En voor Jesse Frederiks nieuwste bij De Correspondent, Zo had­den we het niet bedoeld, is good old Luy­endijk weer afgestoft om als smeerolie in de verkoopmachine te dienen.

Steeds minder stoelen, maar meer men­sen die met het spel meedoen. En ieder­een buigt en is lief, rukt iedere dag alle dons uit een kussen om het in een andere anus te stoppen. Ik ben blij als ik weer naar Parijs kan, het schijnt aan de Ave­nue Niel goed toeven te zijn.

TD

De meeste stadsbewoners hebben geen tuin en, in tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht, kiezen daar bewust voor. Geen gekloot met een grasmaaier met dieselmotor die de binnentuin laat ruiken als de Nigerdelta, niet op de knietjes om met een aardap­pelmesje de woekerende paardenbloemen tussen de antracietgrijze tegels uit te peuteren: minder buitenruimte zorgt voor meer rust. Het grootste voordeel van de urbane ophokplicht is dat je geen last hebt van ongedierte dat van perken houdt: ratten en wespen en ander krioelend gespuis. En mollen niet te vergeten. Voor deze tun­nelterroristen moet je klemmen zetten om ze uit te roeien, want als je te laat bent krijg je kurumutanten zoals Hans Moll.

Om te illustreren dat zijn bijziendheid hem al vanaf zijn geboorte parten speelt is het goed om te weten dat de naakte rat in 1947 of ’48 op Java werd gebo­ren. Of, zoals hij het zelf zegt, ‘Bata­via’. Wilt u weten waar dat ligt? Neem de KLM-vlucht naar Petrograd, stap dan op het vliegveld over op de trein richting Zweinstein, check uit bij station Duck­stad, pak buslijn 313 richting de Efte­ling, maar verlaat deze bij de halte tus­sen Fata Morgana en Droomvlucht, ren om het amfibievoertuig naar Danzig te halen, waarop u tijdens de overtocht kan genieten van het uitzicht op Carthago en Narnia, begin aan uw zeven weken du­rende wandeltocht naar El Dorado, be­klim de Simeliberg, wacht tot een arend u oppikt en die zal u, eindelijk, afzetten in Batavia. Het onderkruipsel verborg zich in zijn mollenbunker om de realiteit van de veranderende wereld niet te hoe­ven aanschouwen.

In zijn Propria Curesperiode ging het wat beter met Hans. Erik van Muiswin­kel leerde de spijtpinda andere liedjes dan Terang Bulan en Beatrijs Ritsema verborg de pot Inproba sambal brandal voordat Hans amok ging maken over de kookkunsten van de gastvrouw. Helaas bleek Moll Oost-Indisch doof voor de beschavingsboodschap die zijn mederedacteuren hem probeerde bij te bren­gen, gebrekkig leervermogen is gewoon de aard van het beestje. Moll ging na PC bij Folia werken, tegelijkertijd met Boudewijn Büch, een medefantast. Een redactie als proefdierlaboratorium met tropische hallucinanten, toen kon dat nog aan een universiteit. En als u denkt dat met het vergeten universiteitsvod de lat op de grond was gelegd en Moll dus niet lager kon zakken, dan vergeet u de aard van het beestje. Tegenwoordig pent Moll zijn tempoe doeloetirades voor On­gehoord Nederland, ThePostOnline, Ve­ren of Lood en De Blauwe Tijger. Inder­daad, gestichten voor gezonken geesten. En als het allemaal nog niet erg genoeg was voor Hans kreeg hij dankzij een zon­nesteek ook nog een Napoleoncomplex. Sommige mensen zit het gewoon niet mee.

De Federatie Indische Nederlanders is het meest tragische legioen van het Ne­derlandse verzet. Zeventig jaar na de on­afhankelijkheidsproclamatie bedachten enkele nazaten van NSB’er Van Heutsz om de wapens op te pakken tegen Soe­karno en Hatta, niet wetende dat de bles­suretijd al was afgelopen, het licht uit was en iedereen verder was gegaan met zijn leven. Zodra iets over de dekolonisa­tieoorlog wordt opgerakeld – de moord­partijen van Westerling, de brandende kampongs, de standrechtelijke execu­ties – springen de leden van FIN in de houding, staan ze subiet paraat. Alsof hun dat in het Maleisisch was bevolen. Meteen beginnen ze de opbrengsten van driehonderdvijftig jaar oranje-blanje-bleu in de archipel op te ratelen: onder­wijs, gezondheidszorg, infrastructuur. Ik moet ze op dit punt gelijk geven, die Birmaspoorlijn is een technisch hoog­standje dat enkel tot stand kon komen door hartstochtelijke toewijding van de bouwers. Nou klinkt FIN manhaftiger dan ze is, want met zes man op het Ma­lieveld, waarvan bij de helft de oogleden als een klamboe over de pupillen hangen en de fitste infanterist bijna 75 is, maak je geen indruk op een bevolking van bij­na 270 miljoen. En u voelt al aankomen wie voor de troepen uitkruipt. Inderdaad, majoor Moll, met een vaandel van het telaatgeborenenlegioen in zijn klauwen waarop trots hun motto staat: ‘Een an­dere generatie, een andere aanpak’. Juist.

FIN is een stichting én een vereniging met standplaats Amsterdam, zo zegt ze zelf. Daar staan in een garagebox de rol­lators van het Korps Bejaarde Troepen, al zullen ze daar niets aan hebben in de sawa’s van Sulawesi. Mollie is voorzit­ter van het stichtingsbestuur en bemoeit zich niet met die andere club. Daar zijn genoeg mensen voor, want deze kongsi’s behartigen de belangen van álle Indische – pardon ik bedoel Indonesische, benoe­men is belangrijk – Nederlanders. Waar­om beide broederschappen van Javajan­kers statutair op het huisadres van Hans in Duivendrecht staan ingeschreven is een raadsel. Behalve als je ziet dat de meeste bestuursleden meer dubbelfunc­ties bezitten dan een VVD-senator. Met een Twitteraccount met trollenleger is het makkelijk jezelf groter voordoen dan je bent. Hopelijk leert FIN dat dit geen goede tactiek is voor een veldslag in de offline wereld.

Maar waar houdt het naoorlogse verzet zich allemaal mee bezig? Eisen dat een disclaimer komt bij de film De Oost. Moll: ‘FIN vreest echter dat de film een onjuist en eenzijdig beeld geeft van de situatie in Nederlands-Indië. Een dis­claimer zou dit kunnen ondervangen.’ Wil bijziende Hans nou bij een fictiefilm een… trigger warning? Omdat het an­ders kwetsend is voor zijn niet-bestaande achterban? Zoals hij met zijn degradatie van Champions League naar Topklasse in stukjesland heeft laten zien, is Moll ook hier niet te beroerd om lager te gaan dan waarvoor we hem mogelijk hadden gehouden. Want wat deed hij nadat Het Parool een ingezonden brief had ge­plaatst waarin gerept werd over oorlogs­misdaden in Indonesië? Hij stapte naar de politie. Om aangifte te doen wegens aanzetten tot haat en discriminatie. Een oud-redacteur van PC. Op het bureau om anderen voor de rechter te dagen.

Dit brengt me bij Bol Kerrebijn, resident van rattenrustplaats Bronbeek en prote­gé van Moll. In David Van Reybroucks Revolusi komt hij aan het woord. ‘Fu­silleren, ik had er geen last van. Als er mensen moesten worden doodgescho­ten, na onderzoek of weet ik veel wat, zei de commandant: “Ik zoek een vrij­williger.” Anderen zeiden: “Ik doe het niet”, maar ik zei: “Oké als het moet.” Zo was ik grootgebracht op dat internaat in Sukabumi: sterk loyaal. Ik wou de eigen mensen niet belasten. Zo’n type ben ik: zo hard dat ik er niet mee zat. Ze kwa­men uit Banyuwangi, daar was de recht­spraak. Een hele colonne met gestraften. Op het emplacement hadden we een goe­derenwagon als gevangenis staan. Het gebeurde altijd ’s nachts. En dan ga ik niet vragen of hij veroordeeld is, daar heb ik geen interesse in, daar werd niet over gesproken. Ik heb nooit proble­men gehad met degenen die… ze deden me niks. Kennelijk beoordeelden ze me op de juiste manier. Hij wist op de een of andere wijze dat hij er niet onderuit kwam. De put was door andere gevangen gegraven. Wat moet ik tegen zo’n vent zeggen? Ik zie hem als misdadiger. Hij staat in de put. Ik vraag hem: “Moet je nog bidden? Ben je erg gelovig?” Oké. “En je kleding? Want als je dadelijk dood bent, die kleren die je aanhebt, die gaan naar die spion, hoor.” Zo praat ik met hem. Als een spion iemand aangeeft, is hij uit op eigen gewin. “Zonde om die kleren kapot te schieten,” zeg ik tegen die vent. Nou, dat begreep hij wel. Hemd uit. “Pak maar, neem maar.” Ik gebruik­te een Owen, 9 millimeter, een volauto­maat. Ik had er geen moeite mee, ik wou alleen maar uitvoeren. Nee, geen gena­deschot in de nek, gewoon een roffel tus­sen de ribben. We spraken er niet meer over. Het kwam niet in het verslag, ge­woon een summiere briefing. Een beetje laf, denk ik soms, maar ik stond op het laagste niveau van uitvoering, daar is geen discussie meer.’

Kerrebijn is niet de beul van Bergen-Bel­sen, noch de sadist van Sachsenhausen. Hij was een Nederlandse militair met na­zitrekken in de gordel van smaragd. Naar Neurenbergnormen een oorlogsmisdadi­ger. En voor het Tokiotribunaal had hij ook niet veel kans gemaakt. En hij was niet alleen, denk aan de SS’ers op Sula­wesi, Westerling met zijn kompanen. Ei­genlijk alle slachters onder het bevel van Simon Spoor (zijn de initialen toeval?) zouden het zwarte, met runen verfraai­de uniform in de oostelijke Lebensraum niet hebben misstaan.

Dus Hansje, beschimmelde pindakaas­vlek op het standbeeld van Poncke Prin­cen, wat ga je doen? Durf je het aan om je oude krant voor de rechter te dagen? Of kruip je, zoals het een mol betaamt, terug in het donkere hol waar je vandaan komt?

TD

Omdat de avondklok bijna inging en ik geen wetsovertreder wilde zijn, haastte ik me plotseling weg van de bijeenkomst van Propria Cures die had plaatsgevonden in het souterrain van De Groene Amsterdammer – het tijdschrift, De Groene bedoel ik, dat mijn jongste roman Schoonheidsdrift niet veel later zou opnemen in hun lijstje van beste boeken van de maand februari. Bij het verlaten van het gebouw stootte ik tot twee keer toe heel hard mijn hoofd tegen de betonnen omlijsting van het raam waaruit ik klom. Duizelig stond ik op de Amsterdamse gracht en zoals dat gaat in dit soort gevallen: ik dacht terug aan alle keren hiervoor dat ik bijna een schedelbasisfractuur had opgelopen en in elk geval op z’n minst een lichte hersenschudding bleek te hebben na mijn strapatsen. Kortom, ik werd teruggevoerd naar de jaren dat ik jong was (ik zit dit te tikken met lichte koppijn en een zeurende aandrang om over te geven).

Ik ben opgegroeid als enige jongen in een gezin met verder drie zussen. Op een gegeven moment deden alle drie de zussen mee aan een Nederlandstalige uitvoering van de bekende musical The Sound of Music. Mijn oudste zus had de rol van moeder-overste en ik herinner me nog goed dat ze thuis het lied repeteerde over hoe hoog de berg lijkt en hoe diep het dal en dat je de juiste paden moet volgen en je oog op je doel moet houden: ‘Hoe hoog de berg lijkt / hoe breed de stroom / laat je hart je leiden / vecht nu voor je droom’. Het drong tot me door waar ik de tekst van Amanda Gorman al van kende over, en ik hoop dat ik nu niet alle nuances verloren laat gaan in de vertaling (maar wat misschien op positieve wijze scheelt is dat ik mijn eigen jeugd erin meeneem), maar ik begreep zoals ik al zei waar die tekst van Gorman vandaan kwam over het beklimmen van een heuvel, of de heuvel (om precies te zijn) die wij moeten beklimmen – het was allemaal net als in die musical, dat had het team van Gorman, want er was de hele tijd sprake van een team en Gorman moesten we eigenlijk beschouwen als een soort actrice of een model, iemand die slechts sprak namens het team, die het team een gezicht gaf, toch maar handig bij elkaar gesampeld.

De Nederlandse vertaler, of vertalers (hier was misschien ook wel een team aan het werk geweest), van de musical, ik heb het nu weer over The Sound of Music, had, of hadden dus, er trouwens wel een beetje een zootje van gemaakt begreep ik tóén al, jaren geleden, toen mijn zussen hun nachtegaalkeeltjes in ons huis lieten klinken. In het bekende lied ‘Do-Re-Mi’ hadden ze van ‘Doe, a deer, a female deer’ een doos gemaakt waarop je ’n deksel doet, ‘Ray, a drop of golden sun’ was in een ree veranderd die je in het woud vindt en ‘Me, a name I call myself’ was Mier geworden, die steeds maar werken moet.

Het schrijven van poëzie, het beoefenen van de romankunst en het vertalen van dichtwerk of proza zijn alle drie zaken waar je ontspannen mee om moet gaan – we hebben het hier immers over kunst, over al met al niet iets essentieels, over, laten we het zeggen zoals het is, amusement – maar waar beslist het een en ander bij komt kijken. Er is intussen wel iets veranderd, en dat is de aandacht voor de vertaler.

Een van mijn lievelingsboeken is The Hitchhiker’s Guide to the Galaxy (en de vervolgboeken ervan), geschreven door Douglas Adams, in het Nederlands vertaald als Het transgalactisch liftershandboek. En vertaald is in dit geval wel heel erg vertaald, want de hele boel begint in onze eigen Hollandse versie in het weidse landschap van de Wieringermeer, waar Hugo Veld woont, die eerder een huis had in Amsterdam, en waar zich ook een alien bevindt die Amro Bank heet (ja, en dit zeg ik zonder ironie, het is écht een goed boek). Op de achterkant wordt gesteld dat de vertaling virtuoos is, en dat wil ik best aannemen, maar waar ik op of in het boek dat in als ik het goed begrijp 2010 bij Boekerij (Meulenhoff) is verschenen ook kijk, nergens is de naam van die virtuoze vertaler(s) te vinden.

Tien jaar geleden was de vertaler nog niemand, en dan ook echt helemaal niemand. Kom daar nu nog eens om. Sylvia Witteman staat bijna levensgroot achter op haar vorig jaar verschenen vertaling (een zeer slechte vertaling, maar dit terzijde) van het boek van Sue Townsend over Adrian Mole – Sue zélf is geen velden of wegen te bekennen. De vertaler is een ster geworden, inclusief de bijpassende gespeelde bescheidenheid van de ster. Witteman: ‘Ik sta hier buiten. Dit is een beslissing van de uitgever. Ik heb geen enkele behoefte aan mijn tronie op welk boek dan ook.’ Wat ik zo raar vind aan rechtse mensen die tegen hypocrisie in het geweer zeggen te komen is dat ze zo vaak liegen, je ziet het bij Arthur van Amerongen, bij Pieter Waterdrinker en bij Sylvia Witteman. Dat geeft aan het woord hypocrisie een heel nieuwe dimensie.

Ik kom tot een samenvatting. In onze wereld is niets wat het lijkt dat het is. Gorman is geen dichter en degene die haar gedichten zou vertalen, Marieke Lucas Rijneveld, is geen vertaler. Van Amerongen, Waterdrinker en Witteman zijn niet oprecht. Wat ze wel allemaal zijn, zijn sterren – de sterren die mijn zussen even waren toen ze optraden in The Sound of Music. ‘Als de hond bijt, / als de bij steekt, zijn ze boos op mij. / Dan denk ik aan alles waar ik zo van hou / en ben ik meteen weer blij.’ Maar sterrendom en schrijven of vertalen gaan niet samen. Een schrijver of een vertaler hoort nooit een ster te zijn. Schrijvers zouden zich niet moeten bezighouden met succes, en lezers zouden daar ook hun hoofd niet over moeten breken. Lezen is een van de weinige dingen die we kunnen doen zonder dat we er rekening mee hoeven te houden wat het ons oplevert. Je doet het gewoon – en ik doe het bijna de hele dag. Dat wil zeggen, als ik niet schrijf of bijeenkomsten van mijn vrienden van Propria Cures bezoek.

AS

Sisyphus is een figuur uit de Griekse mythologie. Hij was de stichter en koning van Korinthe. Hij was een sluwe man, maar beging de vergissing de goden uit te dagen. Hij wist telkens aan hen te ontsnappen, maar verergerde hiermee zijn uiteindelijke straf. Die luidde dat hij tot het einde der tijden in de Tartaros een rotsblok tegen een berg moest duwen. Telkens rolde het van de top weer de diepte in waardoor hij het opnieuw en opnieuw de steile helling op moest duwen. Als onze nieuwste meeloper annex classicus in wor­ding het beter weet hoort u dat vast in het volgende nummer, maar dit is hoe Wikipedia het ons vertelt.

Dagelijks verrichten een half miljoen Nederlanders sisyphusarbeid. Je leest met veel ploeteren de Volkskrant uit, en de volgende dag ligt ie gewoon weer op de mat. En de dag daarna, en die daarna, enzovoort. Soms denk je: vandaag zal het vast meevallen, het ergste moeten we nu toch wel eens hebben gehad. Ik denk te­rug aan het jaar waarin de debuutroman van Volkskrant-verslaggever en -tv-re­censent Haro Kraak verscheen. Dat boek werd in een artikel in diezelfde krant ge­promoot. ‘Synesthesie, daar gaat Kraaks eerste roman over.’ Door: Haro Kraak. En wij maar duwen. Dinsdagochtend lag het rotsblok weer onderaan de berg. ‘Emma Curvers wilde 100 Amerikaanse achtbanen bezoeken als basis voor haar roman Melktanden. Waarom?’ las ik op de voorpagina. ‘V-redacteur en schrijver Emma Curvers had een wild plan dat ze mooi kon inpassen in de voorbereiding van een nieuw boek: 100 Amerikaanse achtbanen ondergaan,’ stond er verder­op. ‘Melktanden verschijnt op 2 maart bij Uitgeverij Pluim.’ Tussen die twee laatste zinnen had Curvers in corona- en verkiezingstijd vier pagina’s volgeschre­ven over waarom achtbanen zo leuk zijn. Je moet het maar durven. Maar thrillsee­ker Curvers deinst sinds ze in de Cany­on Blaster is geweest blijkbaar nergens meer voor terug.

Bij het artikel staan foto’s die haar vrien­din onderweg heeft gemaakt, zodat die tenminste ook nog een slaatje uit deze van de pot gerukte onderneming heeft kunnen slaan. In de achttiende eeuw gin­gen jonge mannen als onderdeel van hun opvoeding op een grand tour door Eu­ropa. Geef vrouwen tegenwoordig eens een dergelijke kans en ze kiezen ervoor om in een woestijngebied waar tot op de dag van vandaag geen cultuur te vin­den is alle Six Flags-parken af te lopen. Niet dat de dames nooit eens zin hadden in iets anders. ‘Ik ben moe, ik ben cha­grijnig, ik wil aan het strand liggen,’ zo klonk het commentaar van de vriendin op een zeker moment. Jammer dan, want er zouden geen strandpassages in Curvers’ boek voorkomen. Had de vriendin maar twintig jaar geleden met Jan Wol­kers naar Texel gemoeten. Alhoewel het natuurlijk maar de vraag is of dat zo’n prettige vakantie zou zijn geweest.

Al met al is de hele gang van zaken dus­danig gestoord dat je niet meer kunt aan­wijzen waar de gekkigheid nou precies begint. Gaat ze op die idiote reis om­dat ze een boek daarover wil schrijven? Schrijft ze dat boek omdat ze die idiote reis wil maken? Gaat het boek over die idiote reis zodat ze het op deze manier ook in de Volkskrant kan aanprijzen? En welke redactiechef heeft dat toegestaan? We komen er niet meer achter. Laten we dus maar kijken of Curvers aan het eind van de rit een boek heeft kunnen afle­veren met iets meer spanning en onver­wachte wendingen dan de Rupsbaan op de kermis.

‘Lon heeft het voor elkaar. Ze heeft een vriend, een robot-stofzuiger, een hond en een huis,’ zo meldt de achterflap. Nog even langs de notaris en het leven zit er voor Lon wel zo’n beetje op. Maar zo makkelijk gaat het allemaal niet, want terwijl Lon in de weer is met haar robot-stofzuiger is haar vriend Philip dat met ene Xenia. ‘Maar dat laat Lon niet over haar kant gaan.’ Lekker Lon! Wat gaat ze eraan doen? Slaat ze Philips tanden uit z’n bek? Voert ze zijn ballen aan de hond? Niets van dat alles. Lon gaat ge­woon ook doen waar ze zelf zin in heeft. Lon gaat Amerikaanse pretparken aflo­pen. ‘Curvers heeft intieme kennis van het ware drama van de burgerlijkheid: het futiele verzet ertegen,’ aldus Arnon Grunberg. Mooie woorden, al komen ze dan van de man die zich zo hard tegen de burgerlijkheid verzet dat hij in New York blijft zitten terwijl zijn vriendin en onge­boren kind in een flat in Almere wonen.

Je zou verwachten dat het met Curvers’ intieme achtbaankennis ook wel goed zit. ‘Langzaam ratelend stijg ik op naar de Amerikaanse vlag die boven op de achtbaan wappert. Dit is de houdgreep van de achtbaan, langzamer dan nodig, bijna sadistisch: je mag je voorbereiden op wat komen gaat, maar je kunt niet meer terug,’ schrijft ze in Melktanden. En trouwens ook in de Volkskrant: ‘De achtbaan takelt ons naar boven, waar trots een Amerikaanse vlag wappert. Het takelen moet traag, dit is de houdgreep van de achtbaan, bestemd voor reflectie op je leven.’ Curvers weet alleen niet of het takelen bestemd is voor voorberei­ding of reflectie omdat ze in werkelijk­heid niet in 100 maar slechts in 64 acht­banen is geweest. Hoe dacht ze eigenlijk in godsnaam een fatsoenlijk boek af te kunnen leveren zonder gedegen vooron­derzoek? ‘Never let the truth get in the way of a good story,’ zegt ze zelf. Of van een wat minder goed verhaal, natuurlijk.

TS

Archief