Arjan Postma weet veel van dieren. Dat moet wel, want anders droeg hij geen kaki blouse met bijpassende hoed – aan de veren herkent men de vogel. Dieren zijn daarnaast, aldus Postma, precies als mensen. Ik heb dat een uil ooit ook al eens horen zeggen, en er zal dus wel een kern van waarheid in zitten, maar voor Arjan Postma is het wel een verdacht prettige bijkomstigheid dat hij zo, invasieve exoot die hij is, zijn eigen expertisegebied flink uitbreidt.

Volgens Postma kunnen we beter niet zo blijven hangen in het idee dat er een verschil is tussen mens en dier. ‘Als je goed gaat kijken,’ zei hij vorige maand in een radio-interview over zijn nieuwe boek Hoe een gekke mier de wereld kan veranderen, ‘dan kun je eigenlijk voor ieder menselijk gedrag wel een dier vinden dat dat ook als natuurlijk gedrag vertoont.’ Die opmerking drukt een leergierige houding uit, maar is natuurlijk ook een performatieve contradictie: buiten de mens is er geen enkel dier dat zulk vergelijkend onderzoek doet. (Er is ook, voor zover ik weet, nog nooit ergens in de jungle met nachtcamera’s een of ander zeldzaam buideldier betrapt dat, toen het even dacht door niemand te worden bekeken, stiekem het begrip ‘performatieve contradictie’ gebruikte.)

Mensen lijkt Arjan Postma dus nog niet helemaal te doorgronden. Of hij, outfit en al, eigenlijk wel zo veel van dieren weet is ook nog maar de vraag. Postma mag dan boswachter zijn – een beroep, overigens, dat ik als ik een dier was voor geen meter zou vertrouwen: de boswachter, dat is voor het bos toch min of meer een door de bezetter aangestelde rijkscommissaris; een intersoortelijke Seyss-Inquart –, in het zojuist genoemde interview haalt hij desondanks twee keer mieren door de war met kakkerlakken. Eerst door te stellen dat mieren best eens een atoomoorlog zouden kunnen overleven – we weten allemaal dat dat een bekend kakkerlakkencliché is – en later ook nog eens door een mierenhoop te vergelijken met Rotterdam.

Als mens neem ik informatie niet alleen maar tot me in de vorm van geurafscheidingen, maar Postma’s boek stinkt genoeg om het zonder lezen af te serveren. De man debiteert naast zijn beestenanekdotes vooral een hoop hippiegezanik over lekker eigenwijs zijn, niet bij de pakken neer gaan zitten, het zijn van de minieme en vooral niet al te structurele of overdachte verandering die u wil zien, en meer van dat soort bregmanesk gezwam. We zijn niet alleen net dieren, we moeten ook nog van ze leren.

Niet alleen springt Arjan Postma daar natuurlijk met één soepele, katachtige beweging van is naar ought: hoe bepalen we bovendien welk dierlijk gedrag we na moeten bootsen? Ik deed er net misschien wat lollig over, maar er zijn natuurlijk wel degelijk grote overeenkomsten tussen mensen en dieren: dieren zijn bedriegers, verkrachters, moordenaars, en bijzonder onverantwoordelijke weggebruikers op de koop toe. Dat blijken echter niet de karaktertrekken die Arjan Postma in het dierenrijk waardeert. Op de een of andere manier bestaat het gedrag dat de mens van dieren over zou moeten nemen bij dit soort types altijd precies uit de handelingen waar ze ook zonder wetenschappelijk verantwoorde fabel al voor zouden pleiten.

Had Postma zijn eigen gemekker en geblaat serieuzer genomen, dan had hij zijn cirkelrederening trouwens nooit op papier gezet. Als er één ding is dat onze beestenbroeders en -zusters niet doen, een enkele getrainde olifant daargelaten, is het schrijven. Waar haalt iemand die het verschil tussen een mens en een hangbuikzwijn niet wil zien dan zijn inspiratie vandaan? De vroege werken van een doodshoofdaapje? De nagelaten bekentenissen van een stokstaartje? Het dagboek van een halsbandparkiet? Er is maar één diersoort die boeken schrijft. Of dat ons beter maakt dan de rest van het faunagepeupel is dankzij mensen als Arjan Postma nog maar de vraag.

BN

Iedere persoon heeft macabere hobby’s, maar iedereen bedrijft die op zijn eigen manier. Zo spraak ik laatst een jongeman in de kroeg die zich, zo vertelde hij, naast zijn studie belastingrecht, heeft gestort op het verzamelen van Stolpersteine. Hij was speciaal zijn master aan de UvA gaan doen, omdat in de buurt van Tilburg geen jodentegels te vinden zijn; de katholieken in het zuiden hadden geen Duitse aanwijzingen nodig om hun gebied shoahschoon te krijgen. Over mijn oudoom met een voorliefde voor gegrilde geitenplacenta ga ik het hier niet hebben: als ik hem vroeg wat hij in de pan legde werd hij altijd sikkeneurig en schotelde mij de zwart aangebakken moederkoek met enkele spruiten van eigen land, vergezeld door drie-en-een-halve kruimige Frieslanders voor waarna hij mij dreigend meedeelde dat ik pas van tafel mocht als ik alles naar binnen had gewerkt. Misschien verklaart dit mijn obsessie met rouwadvertenties.

Als ik op zaterdagmorgen thuiskom of opsta, ga ik met een halve liter peppeccino of cappuccino erbij, naargelang het aantal uren nachtrust, NRC Handelsblad lezen. Ik kijk of Wieringa minstens eenmaal de namen Baudet of Trump laat vallen (dat doet hij) en verzeker me ervan dat de krant van rede en vrijheid nog steeds een alcoholist met een ontwijkende persoonlijkheidsstoornis van de straat en uit de kroeg houdt door hem een plekkie achterop de opiniekatern aan te bieden, waarna ik uiteindelijk bij de pagina’s aankom waar het mij om te doen is. De laatste maanden zijn er meer doodsberichten bij gekomen en kan mijn geluk niet op. Het is heerlijk om met een taalkundige scalpel door de omlijnde berichten te gaan. Zo moet je wel een enorme koloniale kater hebben als je vermeld dat je overleden familielid in 1947 in Jakarta is geboren. En krijg je subtiele inzichten in de bras-, bral- en neukpartijen binnen het LSC van de jaren 50 door de jaarclubherinneringen aan het heengegane lid. 

Dit weekend was het alsof de God van het dodenrijk mij wilde belonen, want nadat ik de krant had doorgewerkt, zag ik dat mijn huisgenoot De Gids op de keukentafel had laten liggen. Normaal lees ik dat blad niet, het is zo saai, zo voorspelbaar, het wordt ongevraagd bij ons thuis bezorgd met De Groene Amsterdammer. En net als bij medicijnen leest inderdaad niemand de bijsluiter. Enfin, het zwarte goud uit m’n percolator had zijn werk gedaan, ik was wakker en wilde weleens weer een poging wagen. Blader, blader, gaap, gaap. (Ik ga u maar niet vervelen met een inhoudelijke bespreking van het meeste dat ik daar aantrof, want anders ligt uw hoofd zo dadelijk ook op dit blad en vangt dit extrachloorhoudende papier uw speeksel op.) Ik nam nog maar een slok koffie. Blader, blader, gaap, ga.. hé! Een essay over de dood van de ironie! Ik wist dat De Gids een doods blad was, maar ik had niet verwacht dat het ruimte zou maken voor het beieren van de doodsklokken voor mijn favoriete stijlmiddel. Eens kijken wat Lise Evers, de troubadour van het verdrietige nieuws, te melden heeft.

Natuurlijk noemt ze Gerard Reve, ome Gerard die zijn laatste levensjaren sleet met hunkeren naar de koorknaapjes van Machelen. En wie nog meer? Ons! Ja natuurlijk, de vaandeldragers van de voorhoede van de avant-garde van de ironie kunnen in zó’n vernieuwend essay niet onbesproken blijven. Evers keuvelt wat over dat gedichtje dat Reve ooit voor dit blad schreef, vertrekt vervolgens naar de stranden van Tanger omdat onze homoseksuele held zich daar te goed deed aan jongentjes die zich voor 75 centen in hun kontjes lieten nemen om uiteindelijk, via een kronkelige omweg langs Theo van Gogh en GeenStijl, bij retteketet Baudet aan te komen. ‘Wie ironie als stijlmiddel hanteert laat de deur naar de ontkenning graag op een kier. De racistische ironicus wenst niet in het openbaar als racist te worden ontmaskerd, maar heeft tegelijkertijd als doel door gelijkgestemden te worden herkend.’ Zo die zit. En wat is de stoot waarmee Evers de lezer – ik, u – tegen het canvas slaat? ‘Van Reve leren we dat de goede verstaander niet diegene is die lacht, maar diegene die de woorden precies begrijpt zoals ze aan ons worden voorgeschoteld.’ 

Een langgerekte geeuw, dat was het resultaat van dit probeersel. Uitgeput na deze marathon van circustrucjes waarvoor een kind van vijf op zomercursus in Drenthe zich nog zou schamen ging ik op mijn bank liggen. Ik dommelde, zakte weg en schrok wakker, knikkebolde en zag Gerard Reve in een roze konijnenpak, versierd met een snoezig, wit pluizenbolletje, met een rieten mand om zijn rechterarm, door mijn huis hupsen, terwijl hij in alle hoeken, nissen en donkere gaten chocolade-eieren verstopte. ‘Maar Gerard, als jij die eitjes verstopt en ik ze niet vind, zijn ze er dan wel?’ Hij liep op mij af en ontblootte zijn geslepen hoektanden. ‘Zal ik jou eens een geheime opening laten zien waarin ik alles laat verdwijnen?’ Een diabolische lach ontsnapte uit zijn muil en galmde nog na in mijn oren toen ik mijn ogen opende en zag dat ik helemaal alleen in mijn kamer was.

De God van de Nederlandse letteren wilde mij wat vertellen, dat was wel duidelijk. Want waarom was Hij anders aan mij verschijnen in een droom? Was het paapse symboliek, decadente krullendraaierij, ging het over barokke versieringen? Waarom deed Reve mij denken aan Ab Normaal? Het zal wel iets met dat ergerniswekkende stuk van Evers te maken hebben, dacht ik. Het kwam me zo bekend voor. Dat is ook niet vreemd voor een tekst met de originaliteit van een Youp-column, maar toch, het voelde umheimisch, ongemakkelijk. 

Ik zocht maar eens op wat Coen Peppelenbos over het betreffende essay schreef. ‘Nu is het niet de eerste keer dat de ironie en het racisme van Reve aan de kaak wordt gesteld. Harry Mulisch deed het bijvoorbeeld al veertien jaar voor de geboorte van Lise Evers in het pamflet Het ironische van de ironie. Merkwaardig genoeg ontbreekt dat pamflet in het artikel.’ Gelukkig weet ik dat Coen tot de parochie van Sint-Sebastiaan behoort, anders zou ik het smerig vinden dat hij geilt op de leeftijd van deze onnozele deerne. Daarnaast is het duidelijk dat de hoofdredacteur van ons aller geliefdste weblog in Groningen huist. Nieuwerwetse trends komen pas laat door in het Noorden: heroïne is nog steeds drug nummer één, de oude binnenstad staat grotendeels nog overeind doordat de Stadjers hadden gezien dat Hoog Catharijne en de nieuwe Weesperstraat kolossale mislukkingen waren. Nieuwe boeken doen er veertig jaar over om door te dringen tot het wingewest, dus blijft Peppelenbos schaduwgevechten uit de vorige eeuw uitventen. 

Mijn gedachten dwaalden weer af, naar Reve op het strand, struinend door de steegjes van de kasba, verdwalend, zoekend naar een weg uit het doolhof… Eureka! Ik stond op, liep naar mijn boekenkast en pakte De minaret van Bagdad van Michiel Leezenberg van de plank. Reve, Reve, waar sta je, Reve? En daar las ik het, op pagina 149, hij fulmineerde over de Marokkaanse jongentjes: ‘Allen zijn prostituees, maar de schakering is groot. Echte prostituutsie [sic] zou je het niet kunnen noemen, het is meer een bijverdienste.’ Zo, dat heeft die Evers eens origineel bedacht, dat verhaal over de Grote Volksschrijver en zijn tripjes naar Tanger. En plotsklaps bedacht ik me in welke literaire etalage ik de kralenketting Reve-PC-Van Gogh eerder heb zien liggen. Merijn Oudenampsen reeg deze polemische parels aaneen in zijn boek De conservatieve revolte. ‘Maar er is ook een institutionele relatie tussen Reve, Hermans, Van Gogh en GeenStijl: ze hebben allemaal banden met het door studenten gerunde, satirische literaire tijdschrift Propria Cures, beroemd en berucht omdat veel schrijvers en journalisten er hun carrière zijn begonnen.’ En het is niet alleen in dit boek dat Oudenampsen deze boodschap verkondigde: hij deed het ook al in De Groene in 2013 en in hetzelfde blad werd zijn betoog nog eens aangehaald door Coen van de Ven in 2019. Het is geen knip-en-plakwerk van Evers, maar voor een postmoderne pastiche rijmt het toch iets te veel.

Lise Evers is historicus en schrijft essays, zo staat boven haar stuk in De Gids. Ze schreef ook voor DW B, op de website van het blad staat dat ze promovendus is aan de Universiteit van Amsterdam. Door de academie wordt plagiaat gedefinieerd als ‘het gebruik maken dan wel overnemen van andermans teksten, gegevens of ideeën zonder volledige en correcte bronvermelding’. Ik denk dat iemand wat heeft uit te leggen. 

TD

Maandag

Ik mag morgen naar Fidan en Renze. Aanleiding is het Nederlands Filmfestival. Ik ben niet zo geïnteresseerd in waar het over gaat, zolang ik Brimstone maar een paar keer kan noemen. Verder is mijn doel mijn reputatie als Joost Zwagerman 2.0 vast te houden, als ranzige filmprofessor. Edgy noem ik het zelf. Ongegeneerd uitspraken van anderen doen alsof je ze zelf ter plekke bedenkt. En natuurlijk zonder dat suffe einde dat Joost voor zichzelf had uitgedacht, een strop, zo banaal! Ik weet wel creatievere manieren om iemand naar de andere wereld te helpen, je leert het bij de masterclasses die ik samen met m’n vriendje Eddy Terstall geef, Storytelling en Maak je dromen waar. Die scène in Brimstone met die darmen? Voor zo’n huzarenstukje draai ik m’n hand niet om. 

Dinsdag 

Ik zat op tv tegenover een vrouw die iets met abortusboten doet, had ze een prijs mee gewonnen. Ik wist haar mooi voor schut te zetten met een scherpe vraag over of ze vond dat vrouwen het recht hadden om abortus te plegen, zo lang ze het kind nog in hun lijf hebben. Bij negen maanden! Ging ze niet op in, had ik haar mooi in een hoekje! Renze vond het ook een goede vraag, zei hij zelf. Dat mannen hun mond moeten houden is flauwekul. Ik ken m’n pappenheimers, in Brimstone heb ik het stukken smarter opgelost. De hoofdrolspeelster moet in de prostitutie en wordt continu verkracht en vernederd, en dan snijdt ze d’r tong af. Zogenaamd uit zelfbelang maar iedereen snapt dat dat de dialogen een stuk prettiger maakte. 

Woensdag

Ik heb er toch maar even een excuus-tweetje eruitgegooid, er waren net wat te veel Stella’s en tuthola’s op hun tenen getrapt vanwege m’n directe vragen. Ik verlies te veel discussies van haar. Die moet ik ook te vriend houden, wil ik met m’n kop op de tv blijven komen in deze rare tijden – de theatertour Klassiekers met Koolhoven, en ook De keuze van Koolhoven, Koolhovens Helden en De Kijk van Koolhoven staan even on hold. En wie vindt zo’n tweetje na een dag nog terug op mijn Twittertijdlijn? Ik kon de schuld gelukkig in de schoenen van Renze schuiven, met z’n EO-verleden. ‘Not my finest hour’ schreef ik. 

Donderdag

Ik heb vandaag lekker kunnen researchen voor m’n roman. Ik had het eerder over een film, was een foutje. Nu staat er op martinkoolhoven-spreker.nl onder Martin Boeken alleen een contactformulier en telefoonnummer, dat moet anders. Episch wordt het: Indonesië, 1945, 1946, een sexy thriller met femmes fatales en duivelse verraders. Een crime story. Officieel heet het The Emerald Butterfly, maar de werktitel is Koolhovens Koelies. Verder wil ik er nog niet te veel over kwijt. Zoals ik al eerder zei op de radio: ik ga me niet lopen haasten. Het Schnitzelparadijs kwam uit in 2005, ‘n Beetje Verliefd in 2006, Oorlogswinter in 2008 en Brimstone in 2016. Ik ben van de exponentiëlen, dus ik heb nog wel even. Als er maar veel bloed vloeit – en dan heb ik het niet over menstruatiebloed. 

Vrijdag

Ik vind het elk jaar weer heerlijk, dat NFF in Utrecht. Ik mocht over Brimstone praten, een drive-in bioscoop. Zelfs zonder rijbewijs een feestje. ‘My Work’ noem ik het op m’n site. Zes kalveren kreeg ik ervoor. Ik heb, als een van Nederlands meest succesvolle filmmakers, de eerste Amerikaans-Nederlandse western gemaakt. Inmiddels een klassieker, past in de traditie van de spaghettiwesterns. Toch hou ik de trailer nog even bovenaan m’n twitterpagina. 

Zaterdag

Ik werd wakker uit een nachtmerrie. Een pijnlijke herinnering, maar zoals ik altijd zeg, ‘Alles is regie’. Ik zakte een avondje door met een bevriende hoofdredacteur. Op het terras van de Pels zaten we lekker te praten, zoals ik dat het beste kan: in de monoloogvorm. Kwam er een vage Belg bijzitten, die m’n vriend ook bleek te kennen. Ik vroeg hem of ‘ie dat nou niet irritant vond, dat België, met al dat beleefde gedoe. In Nederland zeggen mensen tenminste meteen wat ze denken, zei ik. Nou, deze Belg dacht er anders over. Kwam met een heel verhaal over arrogantie en Hollanders. Ik luisterde niet naar ‘em, wie dacht ‘ie wel dat ‘ie was? Bleek het Dimitri Verhulst te zijn, die schrijver. Ik had ‘m niet herkend, stom. Toen ben ik binnen aan de bar even een potje gaan janken. Not my finest hour too

Zondag

Ik zie net dat Brimstone binnenkort weer op tv komt. De film blijft in home cinemas leven, dat kan je van de meeste vrouwen in de film niet zeggen. Daarom vind ik het zelf ook zo’n feministische film. Ik geloof dat al mijn films zonder inspanning voldoen aan de diversiteitsladder. Claudia Cardinale heeft me zelfs ooit een filmprijs gegeven. Daar kon ik het dan weer over hebben in De Kijk van Koolhoven. Ja, we gingen echt full circle. Is het alweer tijd voor de nieuwe selectie Zomergasten? Drie keer raden naar m’n keuzefilm.

Martin Koolhoven

De jaarlijkse Kinderboekenweek is al heel lang geen week meer, maar bijna twee weken, en begint in coronavrije tijden met een Kinderboekenbal zonder dansen. De laatste keer dat ik ernaartoe ging zag ik gelukkig kinderboeken liggen, want daarvoor, zo rond 2009, was ik ook een paar keer op dat feest aanwezig en zag ik ze nergens. De kinderen hadden wel een stevig papiertje gekregen waar we als schrijvers onze handtekening op konden zetten. Verder herinner ik me de enorme moeite die was gedaan om het bal prachtig aan te kleden, onder meer met een beeld van een naakt waarbij uit de bilspleet chocomel ontsproot. Extraverte tv-coryfeeën praatten in een theaterzaal de boel aan elkaar en zo liepen er nog meer bekenden over het podium, onder wie een actrice die de kinderen in de zaal een refrein liet meezingen met de woorden ‘Rot op, rot op’. Ik zie nog de Vlaamse auteur die in 2009 de Gouden Griffel kreeg daar in verbijstering rondlopen. De prijsuitreikingen werden toen overigens nogal snel afgehandeld, waarschijnlijk omdat er met korte spanningsbogen rekening moest worden gehouden.

Vlaanderen heeft in maart zijn eigen Jeugdboekenmaand. Tot een paar jaar geleden ging die gepaard met een eindfeest in een groot theater, voor zo’n tweeduizend kinderen en ouders. Zowel de kleintjes als de groten konden met een veelheid aan aanwezige schrijvers in gesprek, hen vragen stellen en opmerkingen afvuren over hun werk, en het geheel werd aan het eind van de middag in de grote concertzaal afgesloten met een feestelijk programma, waarbij de kinderen een refrein zongen over boeken en lezen, en niet over oprotten, een woord dat ze trouwens niet gebruiken, het zou in hun geval ‘Trap ’t af! Bol ’t af!’ zijn.

Nederland liep in de jaren zeventig en tachtig wat kinderliteratuur betreft voor op Vlaanderen, er heerste een ronduit stimulerende sfeer, journalisten volgden wat er gaande was en hadden aandacht voor originaliteit en een goede pen, ze bedachten zelfs de Woutertje Pieterseprijs voor bijzondere kinderboeken, en er kwam  een staatsprijs, de Theo Thijssenprijs, altijd goed voor de pensioenopbouw van zzp’ers, maar ook voor het besef dat dat genre niet onderschat hoeft te worden (wat meestal ook betekent dat kinderen worden onderschat, iets waar Guus Kuijer al lang geleden een boek over schreef, Het geminachte kind). Vlaanderen, lang in katholieke sferen gedompeld, begon vooral in de jaren negentig op te bloeien, ook wat de kinderliteratuur betrof. Begin deze eeuw timmerden ook veel originele illustratoren aan de weg.

De opkomst van het neoliberalisme en het marktgeloof, waarbij kwantiteit als kwaliteit werd gezien, beïnvloedde de cultuur in negatieve zin, in Nederland ook eerder dan in Vlaanderen, met als dieptepunt meneer Halbe Zijlstra, die als staatssecretaris van onder meer cultuur, overmatig bezuinigde op die ‘linkse hobby’. Er kwam een grotere hypegevoeligheid, de middelmaat regeerde en media besteedden minder aandacht aan kinderboeken, en trouwens ook aan andere uitingen zoals poëzie.

Ik heb altijd zowel voor volwassenen als voor kinderen gewerkt en een normale baan heb ik nooit gehad. Nadat ik in 1978 Cameretten won, heb ik een aantal jaren met een of twee vrouwelijke musici in het cabaretcircuit getoerd. Ik herinner me een recensie uit die tijd waarin werd opgemerkt dat er vrouwen op het podium stonden, maar dat het toch ook leuk was voor mannen. Dat soort denken is trouwens nog niet voorbij. Toen ik de AKO Literatuurprijs kreeg voor mijn roman Feest van het begin – een prijs die trouwens almaar, niet echt handig, een andere naam krijgt – maakte een bekende oudere auteur een filmpje waarin hij verkondigde dat ik ‘aardige’ kinderboeken schreef en dat maar moest blijven doen. Een jongere, veelgelezen auteur schreef dat ik die prijs van hem had afgepakt om andere redenen dan de kwaliteit van mijn roman. Daarom vond iemand van de jury het bij uitzondering nodig mij een keer te vertellen dat het wel alleen maar om de kwaliteit van mijn roman was gegaan. Tja. Ook in mijn relationele leven waren er mannen die er niet goed tegen konden dat ik erkenning kreeg. Soms was een reactie bijna komisch, zoals toen ik een mooie poëzieprijs ontving en ik dat op het station, op weg naar huis, doorbelde. De eerste reactie was niet iets als ‘Nou, joh, leuk’ of zo, maar ‘Waren die anderen zó slecht?’

Ach, dat ik mijn hele leven heb kunnen schrijven en tekenen, wat ik als kind al wilde, maakt me tot een gelukzak. En dat ik bij lezingen en optredens nu eens kinderen voor me zie, dan weer volwassenen van allerlei leeftijden, en dat ik ervan heb kunnen leven en het nog steeds kan, is ook mooi. Alleen in het begin had ik allerlei losse baantjes nodig, zoals het demonstreren van email (emaj, niet iemeel) op een vrijetijdsbeurs of het leiden van een kinderatelier in het Brusselse Museum voor Schone Kunsten, in een lokaal zonder kraan. Toen we het op levendige wijze over kleuren mengen hadden gehad en de kinderen hun handen die vol verf zaten in de toiletten van het museum moesten schoonwassen, gingen ze op de spiegels door met hun experimenten. Een beetje museum had gezien dat dit artistieke uitingen waren, maar ik werd onmiddellijk ontslagen.

Collega Dolf Verroen, eenennegentig inmiddels, staat dit jaar in het rijtje kandidaten voor de Gouden Griffel. Als ik dat zie, denk ik nog zeeën van tijd te hebben om door te gaan met het schrijven van romans, poëzie en kinderboeken, met tekenen en optreden. Per slot had ik de paar kwaaltjes die ik nu heb ook al op mijn dertigste en ben ik absoluut niet aan een nieuwe heup toe. 

Joke van Leeuwen

Lieve Carry. Ik ben veertien jaar oud. Ongeveer een half jaar geleden heb ik voor het eerst seks gehad met mijn vriend van eenentwintig. Hij zei tegen me dat ik niet zwanger kon worden omdat ik pas een jaar ongesteld werd, maar vorige week kwam ik erachter dat ik toch zwanger ben. Volgens mij is het al te laat voor een abortus. Toen ik het aan mijn vriend vertelde noemde hij me een vieze hoer en nu reageert hij niet meer op m’n appjes. Wat moet ik doen?

Lisa (14) uit Rotterdam

Hallo baby!

——

Geachte Carry Slee. Omdat je met alle respect in dit totaal verziekte en verpeste kankerland helemaal niks meer mag ben ik onlangs in een conflict verwikkeld geraakt met de Nederlandse (r)overheid. Het begon met een belastingakkefietje en wat gedoe met vergunningen voor mijn handeltje, maar ondertussen is de boel behoorlijk uit de klauwen gelopen en heeft dit gebeuren mij wat de (r)overheid het ‘criminele circuit’ noemt ingeduwd. Momenteel houd ik mij op een niet nader te noemen locatie verborgen voor de hoeren van justitie, maar ik voel de zoeklampen in m’n achterhoofd branden en zie in dit kankerland eigenlijk geen uitweg meer. Wat moet ik doen, Carry; waar moet ik heen?

Bas

See you in Timboektoe

——

Beste Carry. Onlangs is mijn zuster Christina vredig in haar slaap overleden. Aangezien ze altijd alleen is gebleven heb ik me ontfermd over het opruimen van haar appartement. Tijdens die schoonmaak kwam ik onder andere veel brieven tegen. Om maar met de deur in huis te vallen: uit een deel van die brieven bleek dat u in de jaren 70 en 80 een vrij heftige liefdesaffaire heeft gehad met Christina. Ik weet niet of uw familie deze geschiedenis kent, en hoe u er zich tegenwoordig tot verhoudt, maar wilde u graag op de hoogte stellen van zowel het overlijden van mijn zuster als de door mij gevonden brieven.

Louise de Koninck

Vervalst

——

Geachte mevrouw Slee. Ik benader u met een groot probleem dat mij al weken niet loslaat. Mijn man en ik zijn 35 jaar getrouwd, hebben drie prachtige kinderen (die overigens alle drie enorm van uw boeken hebben genoten) en zijn nog altijd gelukkig met elkaar. Althans, ik in ieder geval met hem, maar de laatste tijd vraag ik me steeds vaker af of dat ook nog wel andersom geldt. Hij maakt op mij een afwezige indruk, is altijd met zijn werk bezig, en blijft de laatste tijd bijna iedere avond op kantoor hangen. Soms zelfs in het weekend! ‘Bestel jij maar lekker een pokébowl voor jezelf lieverd, het gaat hier weer laat worden. X’ appt hij me dan. Ook thuis is hij altijd met die telefoon in de weer. Als ik hem erop aanspreek, dan zegt hij dat het nu eenmaal een drukke periode is voor de firm, en dat die hypotheek zichzelf ook niet af gaat lossen. Daar heeft hij dan weer een punt, maar toch maak ik me zorgen. Lieve Carry, wat denk jij van deze situatie?

Gewoon een vrouw uit Naarden

Verdacht

——

Car!!!! Ik zexg het9 maar gweqoon meeteen: hetgaawt nietr goedf. Heeheellheel slechtt gaatt t!!! Ik hewb een probreem. Met dee dranwk, je kefnt het wel. Ikk ben nuwel al in MENtrum maawr darr vestop ikc gewoooion alleas ondder mn matrrxaaas! Jaaaaa! Zooo doefrt ouwwe sjon dat. Maaar echet lekkere voel ikk me nirertt…….Hieoe maake ijk toech nog eenheledere indwurk oppp=p hetv personweel? Ikkhoduud bewoon te veel9 vqan de fless Car1!!

Sjoon

Afblijven!

——

Hello Carry. I am woman from Romania, 26 years old. I come to Holland nine years ago for work, as cleaning lady, they say. Now I am still prostitute. I do not like work. Too many customers, I sleep in dirty bed. But my pimp is worst. He will not give me money. And say I can not stop working. He always beat me. Now my eye is blue and customers not like that. And no customers he beats me more. I think that he even break my arm last night, not possible moving it. I do not know what I can do. I need help. Please.

Desperate Daniela

Pijnstillers

——

Geachte mevrouw Slee. Onlangs ontving ik een zeer droevig bericht van mijn gemeente. Achter de tuin van het huis waar mijn familie al generaties woont staat een prachtige beuk van bijna tachtig jaar oud. De beuk draagt voor mij een diepe, emotionele lading. Eén week voordat mijn grootvader door de nazi’s van zijn bed werd gelicht en afgevoerd naar Bergen-Belsen, plantte hij samen met mijn grootmoeder het zaadje voor deze boom. Het was alsof hij wist wat er te gebeuren stond en iets na wilde laten. Nog iedere dag denk ik aan hem als ik naar de boom kijk, maar nu laat de gemeente mij schriftelijk weten dat de boom plaats moet maken voor nieuwe parkeerplekken, vanwege het toenemende aantal auto’s in de wijk. Ik vrees voor het lot van onze mooie beuk.

Hanneke

Kappen!

Archief