Als vijfjarig kind werd ik het hof gemaakt door de struise ver­weerde half-Bretoense tuinman van mijn grootouders. Maar eigenlijk heb ik hem verleid.

Ik was verliefd op zijn kromme knoes­tige handen en gefascineerd door zijn ef­ficiënte muzikale buxusscharen, en door de wrede logge spaden die regenwormen en pissebedden onthoofden, en door al die andere dofchromen werktuigen met frivole turkooizen handvaten waarvan ik de naam niet kende.

Ik streelde de stugge schort van de tuin­man en vroeg hem om me wegwijs te maken in zijn wereld.

De tuinman joeg me bars weg. Hij hield niet van kinderen.

Tuinieren was een hobby en een bijver­dienste, zijn echte job was politieagent of cipier. Misschien beide.

Ik hield niet van politieagenten en cipiers, maar ik aanbad tuinmannen omdat ze wroetten in de aarde en dus de geheimen van de insecten en de onderwereld kenden.

De tuinman van mijn grootouders kwam elke vrijdagmiddag in hun tuin werken. Mijn grootouders werkten toen nog en ik moest naar school, maar het was altijd naailes vrijdagmiddag en dus spijbelde ik.

Ik had geen sleutel van het huis, wat me goed uitkwam. Ik moest wel in de tuin zitten en de tuinman lastigvallen. Hij kon niet zeggen: ‘Ga naar binnen en maak een puzzel, vervelend wicht!’

De tuinman had altijd een zielige gelige gekraakte thermos bij zich en dunne roggeboterhammen met smeerkaas in alu­miniumfolie gewikkeld. En een berg wa­fels gemaakt door zijn imbeciele zus met wie hij samenwoonde. En volgens som­mige dorpelingen sliepen ze in hetzelfde bed. En dan?

Ik wist dat ik de tuinman niet kon ver­leiden met woorden, maar misschien zou het lukken met de schommel.

Als ik heel hoog schommelde kon hij mijn slipje zien, maar hij keek nooit naar mij het schommelende kind. Laat staan naar het slipje. Zijn rug was altijd trots en koppig naar de schommel gekeerd.

Niettemin droeg ik elke vrijdag mijn strak­ste schattigste slipje in de hoop dat de tuin­man er ooit een blik op zou werpen.

Na zes maanden gaf ik het op.

Ik moest brutaler zijn. Ik bedacht een plan: donderdagnacht sloop ik naar de kelder van mijn grootouders om een fles jenever en een bokaal abrikozen op siroop te verdonkeremanen, en dit rijke onweerstaan­bare feestmaal zou ik dan de volgende dag samen met de tuinman opsmikkelen.

Ik verstopte de fles en de abrikozen in de hobbybarak van Klaus de Duitse buur­man en ex-SS’er die enkel in de paas­vakantie naar zijn tweede verblijf in De Panne kwam.

Ik kon de slaap niet meer vatten, ik keek reikhalzend uit naar vrijdagmiddag.

Eerst was er de saaie voormiddag bij zuster Simone met de aardige ogen en de sympathieke snor: de bruiloft te Kana, de ongelovige Thomas, Jacob en de lad­der, de wolf en de zeven geitjes, een klei­ne halfhartige poging om de kinderen het alfabet aan te leren…

En toen ging de bel!

Ik snelde naar buiten en rende doorheen de duinen naar het grote witte huis van mijn grootouders in de Toeristenlaan.

Ik zag nog net mijn grootvader dronken wegrijden met zijn scheve Stetson naar het rechtsgebouw waar hij moordenaars en stropers en pyromanen en verkrachters zo mild mogelijke straffen zou geven.

Niet omdat hij zonde en verdorvenheid fantastisch vond en wilde aanmoedigen, maar wel omdat hij opsluiting hels, af­schuwelijk, onmenselijk, verwerpelijk, en barbaars vond. Ik ook!

Mijn grootmoeder vertrok altijd een halfuurtje vroeger met haar fiets (zij gaf Franse les in de gemeenteschool Imma­culata), omdat ze elke middag om 13u in een telefooncel op het Sloepenplein huilerig en hysterisch telefoneerde met haar minnaar, een fiere poëtische Portu­gese salamiverkoper die graag balletdan­ser en kazenmaker was geworden maar zijn familie had het hem verboden en hij was week en luisterde naar zijn driftige seksistische versmachtende bekrompen familieleden.

De tuin bevond zich aan de achterkant van het huis.

Eerst bekeek ik de tuinman als een geile stiekeme voyeur: ik gaapte ongegeneerd naar de afgezakte broek en naar de zwe­terige spleet die naar de anus leidde.

Ik wilde zo graag mijn vinger in die anus ste­ken en in slaap vallen in de zon in het gras.

De tuinman draaide zich om en betrapte me. Maar hij was niet geërgerd, eerder geamuseerd.

Hij riep me bij hem, gaf me een aai over mijn kruin en zei dat ik de kruiwagen vol onkruid mocht uitkieperen in die hoek daar.

Maar de kruiwagen was te zwaar en de tuinman kwam achter me staan en legde zijn handen op mijn handen en drukte zijn zalige harde middenstreek tegen mijn rugje, en ik dacht dat ik ging klaarkomen.

Gelukkig klonk er een sirene en de ma­gie was verbroken: we werden weer een verboden volwassene en een spijbelend kind.

Ik bood de jenever en de abrikozen aan, de tuinman was zwijgzaam dankbaar. Hij duwde eetbare bloemen in mijn mond en toen stond hij bruusk op en zei hij dat hij vroeger weg moest vandaag omdat hij bij een boerin in Vladslo een rolstoel en een traplift mocht gaan ophalen voor zijn zieke zus.

Ik huilde bittere teleurgestelde tranen en ik dronk van de jenever die me sla­perig maakte. En angstig en doodziek de volgende dag. Mijn grootvader vond het hilarisch dat ik jenever had gestolen en zo rap, zo ongeremd, zo mateloos had gedronken. Er klonk bewondering in zijn stem, hij wist natuurlijk niet dat de tuinman het grootste deel van de jenever naar binnen had gekapt.

De volgende vrijdag was het raak: zon­der schommel, zonder jenever, en zonder abrikozen ging ik op mijn doel af.

Ik zei tegen de tuinman: ‘Streel me in de struiken, ik heb het nodig. Ik wacht al zo lang.’

De tuinman leek ontroerd en hij gehoor­zaamde godzijdank.

Hij legde me teder op een zeil tussen twee coniferen. Hij trok voorzichtig mijn kleren uit en betastte mijn kleine lede­maten met zijn vuile warme vingers. Het was heerlijk! Hij bouwde het hemelter­gend traag op en ik hield het bijna niet uit, maar eindelijk bereikte hij dan toch mijn vagina.

Hij zei: ‘Precies een pasgeboren molletje.’

Hij stak twee vingers in mijn pasgeboren molletje. En later ook nog zijn tong en het gladde houten handvat van een on­kruidhark.

We beleefden twee jaren pret, nee extase.

Ik heb ook hem verwend, zijn penis in mijn mond. Lastig was het niet, integendeel.

Zelfs de penetratie was veel minder pijn­lijk dan verwacht. Het gebeurde in de win­ter, achter de hobbybarak van nazimonster Klaus. Ik bloedde op de sneeuw en de tuin­man noemde het fluisterend ‘een kerstmi­rakel’. Al was dat wellicht spotternij.

We werden nooit betrapt, nooit uitge­jouwd, nooit gestenigd.

Maar op een dag stierf zijn zus en de tuinman kon een betere job krijgen: re­chercheur in Nieuwpoort.

In mijn gedichten voer ik de tuinman regelmatig op als personage. Ik noem hem dan steevast ‘de pedofiele tuinman’, maar dat klopt niet. We waren een kop­pel, een ordinair blind dwaas vrolijk ver­liefd onschuldig koppel.

Het was mooi en het was niet pervers.

Of als er perversie in het spel was dan kwam die van mij.

Delphine Lecompte

Wiptietjes met lieve tepeltjes kunnen me absoluut bekoren, maar ik houd toch vooral van billen. Van een stoute vrouwenbips, om precies te zijn. De blanke billetjes van Marieke Lucas Rijneveld streel ik liefdevol, met veel bewondering en respect. Gaandeweg daal ik heel voorzichtig af tussen haar heerlijke heuveltjes, tot daar waar het nat wordt. Dat is genoeg. Annechien Steenhuis komt omgekeerd op mij zitten, zodat ik elke beweging van haar wonderbips kan volgen. Bij Katja Schuurman en Abbey Hoes ga ik wél helemaal los, en zij ook. Carola Schouten help ik haar kont te ontdekken en te gebruiken. Kortom, ik red me wel in de eenzame uurtjes.

Hoe onschuldig kan het zijn, masturberen. Iedereen doet of deed het. Maar hoe pakken pedofielen dat eigenlijk aan, projectietechnisch gezien? Kijken ze vol verlangen naar Nickelodeon of naar de spelende kleuters in Sesamstraat? Ik heb geen idee. Zou iemand tijdens Op1 met veel bravoure verkondigen dat pedofielen zich en masse aftrekken tijdens het kijken naar Ome Aart en co, dan zou dat vast leiden tot Kamervragen. En hoogstwaarschijnlijk wordt het populaire programma vervolgens van de buis gehaald. We moeten onze kinderen immers beschermen.

Pedofielen mogen geen masturbatiefantasieën hebben. Althans niet als het aan het Openbaar Ministerie ligt. De kern van de ‘bewijslast’ die het Openbaar Ministerie maar blijft aanvoeren om de voormalige leden van Vereniging Martijn aan te kunnen pakken en op te kunnen sluiten, is het verheerlijken van seks met kinderen. Voor wie het was vergeten: Martijn werd in 2014 door de Hoge Raad op civielrechtelijke gronden verboden; van strafbare feiten was geen sprake, dus moest er wat anders worden verzonnen. Het probleem zat en zit ‘m in het verheerlijken. Dat mag dus niet.

Het zal wel aan mij liggen, maar is het niet logisch dat pedofielen verlangen naar seks met kinderen? Het is verdomme hun geaardheid, het lot dat de natuur hun heeft toebedeeld. Ik verkondigde al meermaals dat we pedofielen hun dromen, fantasieën en verlangens niet mogen afnemen, want ze hebben niets anders. Ze moeten zich aan de wet houden, al druist die compleet tegen hun geaardheid in. Bewonderenswaardig dat dit de meesten lukt.

Het overgrote deel van het kindermisbruik vindt overigens plaats in families en gezinnen, door zogenoemde gelegenheidspedoseksuelen, hetero’s die hun frustraties niet langer de baas zijn en zich vergrijpen aan hun eigen kroost. Een verzachtende omstandigheid: ze verheerlijken seks met kinderen níét, en al helemaal niet publiekelijk. Wat ook voor ze pleit, is dat ze pedojagers hartstochtelijk steunen, om hen moverende redenen. Vandaar waarschijnlijk dat het Openbaar Ministerie geen speerpunt maakt van het misbruik in huiselijke kring, en daarmee jaarlijks duizenden kinderen aan hun lot overlaat.

Terug naar dat verheerlijken. Eenzame hetero’s kunnen elk uur van de dag hun hijgend hart ophalen met internet. Bukakeparty’s zijn immens populair: een groepje naar corpulentie neigende mannen met een goedgevulde puddingbuks verzamelt zich rondom een geknielde dame die met opengesperde mond wacht op wat komen gaat; een enkele keer houdt ze een kommetje onder haar kin, dat ze na afloop gulzig leeg slurpt. De glory hole, het befaamde gat in de muur, is gewild bij mannen én vrouwen – kloppende pikken en zaadvragende kutten à volonté. Close-up-opnames van anale penetraties, waarbij de darmflora trots wordt getoond als ultieme trofee, zijn ook niet aan te slepen. Voor LHBTQ-ers zijn vergelijkbare pretparken beschikbaar, en eveneens niet alleen online. En gelukkig maar.

Een scherp contrast met pedofielen, die als het aan het Openbaar Ministerie en de deugdzame goegemeente ligt, seksuele fantasieën niet eens mogen hebben, laat staan dat ze daar (met elkaar) over praten of mailen. De troefkaart die het OM daarbij net iets te triomfantelijk trekt, en die er bij de moreel rechtschapen massa ingaat als koek: kinderporno. Wordt er bij een pedofiel een folder van een nudistenkamp of een door Erwin Olaf in de jaren tachtig gemaakte portretfoto van een halfnaakt jongetje in zwembroek aangetroffen, dan heeft het OM ‘kinderporno’ aangetroffen bij de ‘verdachte’. Vervolgens verkondigt het die ‘vondst’ met gepaste trots in een effectief persbericht, dat vooraf wordt gelekt aan De Telegraaf en RTL, en elke volgende actie is gelegitimeerd.

Hangt datzelfde portret van Erwin Olaf aan de muur van het Nationaal Fotomuseum, dan heeft de kunstenaar de ontluikende seksualiteit van een kwetsbare adolescent in een fragiel beeld weten te vangen. Prachtig, ontroerend. In zowel het verzoekschrift als het requisitoir waarmee het OM destijds (succesvol) pleitte voor het verbieden van Vereniging Martijn wemelt het van dit soort schijnbewijzen. Het OM verzamelde bijvoorbeeld gedichten die door lezers op de site van Martijn werden geplaatst en waarin ‘de liefde voor kleine jongetjes wordt verheerlijkt’. Het is me wat. (Voor meer voorbeelden, zie mijn in 2013 bij Uitgeverij Atlas Contact verschenen pamflet Rafelranden van de moraal.) Dit roept de vraag op: is het niet juist de rechterlijke macht die hiermee ‘kinderporno’ produceert?

Pedofielen worden voortdurend negatief geframed, want ze zijn het symbool geworden van alles wat wij als samenleving niet willen (zien). Ze vertegenwoordigen het ultieme kwaad en dat moet uiteraard worden vernietigd, in al zijn verrotte verdorvenheid. Begrip (proberen te) tonen voor pedofielen betekent al snel dat je het opneemt voor kinderverkrachters. En dan moet je dus dood, net als al die perverse viezeriken, dat ongedierte.

De ontmenselijking van pedofielen is een collectieve waan die veel zegt over onze kwetsbaarheid. Het verleden, en helaas ook het heden, laat zien dat we als mensheid bereid zijn om hele bevolkingsgroepen te offeren voor overtuigingen die gebaseerd zijn op angst, haat en ressentiment, maar die gemunt worden als humaan, rechtschapen en verantwoordelijk. Zowel de wetgevende, de uitvoerende als de rechtsprekende macht doen daaraan mee. Een blinde vlek waar ík bang van word.

Ik heb Marthijn Uittenbogaard, het boegbeeld van pedofiel Nederland, meermaals een vrijheidsstrijder genoemd. Hij verdedigt de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vereniging in de volle breedte, en dat zouden we moeten koesteren, niet versmaden. Hij houdt zich bovendien aan de wet, al bevraagt hij die tegelijkertijd. Dat is zijn goed recht.

Marthijn heb ik leren kennen als een eerlijke, betrouwbare man die openstaat voor dialoog. Ik steun zijn strijd dan ook van harte. Dromen, fantasieën en verlangens mogen nooit en te nimmer strafbaar worden gesteld. En mensen hebben het recht daarvan te getuigen en daar met elkaar over te praten of mailen. Een droom is geen daad. (Al verdenk ik de nodige boeren ervan in de vroege ochtend, het tijdstip waarop de dauw uitnodigend begint te glinsteren, weldegelijk een varken, kip of geit te bepotelen. Maar dat zal vast aan mijn vooroordelen liggen.)

A.H.J. Dautzenberg

Ons equivalent van rokjesdag is blotebuikendag. Waar die kut­kluivers zich opgeilen aan bleke benen die in allerijl met slash and burn in cultuur zijn gebracht, maar toch even vruchtbaar blij­ven als de Kalahariwoestijn, hoeven wij ons nergens zorgen om te maken. Als de trekvogels terugkeren van overwinteren, trekken mannen, zich niets aantrekkend van onze geile blikken, hun kleren uit en zo komen wij aan ons trekken. Het maakt dan ook niet uit hoe ze eruit zien. Coronakwabben die over de rand van z’n skinny jeans draperen? Lekker om vast te pakken als hij op zijn knieën voor je zit. Dad bod? Zeventienjarige knapen stromen zijn inbox binnen, azend op de lijfelijke geneugten die ze hun hele jeugd heb­ben gemist. Blokjesbuik? In Barry’s bukkakebar zou hij het middel­punt van alle aandacht zijn geweest, ware het niet dat de heropening misschien niet doorgaat, want de tent zit nu op zwart zaad. Gaan de knoopjes open, dan gaat bij ons de knop om. Het jachtseizoen is dit jaar echter geannuleerd.

Ik had met mijn vriend R. afgesproken om afgelopen zondag te wandelen in het Vondelpark. Een goede keuze, bleek al snel. Het aanbod was groter dan op een willekeurige wet market in China en de kans op overdrachtelijke ziektes ook, maar zittend op een bankje met een Mannenliefde in de hand met uitzicht op de hengstenheide was dit de enige ma­nier om als bankhanghomo nog iets van het weekend te maken. Samen met R. genoot ik van ons uitzicht. Voor de oe­feningen was het onnodig, maar de ont­blote honkhunks, die aan de dames toon­den dat tepels die lager hangen dan het middenrif een keuze is, werkten zich uit de naad met haken en elastieken waar­mee ze in club Church niet hadden mis­staan. De joggers in tanktop kwamen rechtstreeks uit de folder van Circuitfes­tival. Ik nam een slok, voelde mijn kruis opzwellen en legde hem links. De zon. De lente. Ik ben zondig, dacht ik. En dat voelt godverdomme goed.

Er viel een schaduw over me heen en mijn uitzicht werd geblokkeerd. Borrel met buikbaby en Blokkertassen. Sinds ze vorig jaar op het Boekenbal agressief de zaal uitbeende nadat ik wederom had uit­gelegd dat ik resistent was voor het va­ginavirus, had ik haar niet meer gezien. Ook niet gesproken. Ze was uit mijn le­ven verdwenen.

‘Wat heb je allemaal in die oranje bood­schappentassen zitten?’, vroeg R. toen hij naar de uitpuilende buidels keek. ‘Mijn oude slipjes met maanstonde­bloed, bezemstelen om ze aan te hangen, ballonnen, pannen. Je weet wel, de stan­daard demonstratiebenodigdheden.’ Ze had mij nog geen seconde aangekeken. ‘Alles wat een moeder nodig heeft om haar kroos te beschermen.’

Ze wreef over haar bolle buik met een maniakale grijns op haar gezicht. ‘Weet je nog dat ik van de zomer, na die lezing in de week van de Gay Pride, sprak over zelfbeminnen? Ik heb daarna een zes we­ken durende taoïsmecursus gedaan met zeven andere meiden in een opgeknapt klooster in Bhutan. Ik leerde al mijn cha­kra’s kennen door dagelijks negen uur te zoemen.’ ‘Was het een online cursus?’ Haar blik verraadde dat ik vooral mijn mond moest houden. ‘Mediteren, in con­tact komen met de kosmos, leren dat er meer is dan vleselijke lust en oppervlak­kig vermaak.’ Weer die priemende ogen, alsof ze die van mij met een passer uit wil­de steken. ‘Het heeft mij zó geïnspireerd, zó in aanraking gebracht met mijn diepere ik, ik voel dat ik op moet komen voor de gezondheid van mijn ongeborene.’

R. kuchte. ‘Dus jij gaat koffiedrinken op het Museumplein?’ ‘Nee, geen cafe­ïne voor mij, dat vertroebelt mijn inner­lijk oog, ik consumeer enkel nog pure producten die in het wild te vinden zijn: paddenstoelen en boomwortels en meer giften van Gaia.’ Ik nam een teug, bier smaakte nog nooit zo goed. ‘Ik kwam via een sjamaan in Thimpu in contact met andere vrouwen in deze stad die ook weer één willen worden met de natuur en met hen ga ik straks op die verdorven plek een bloedoffer brengen en moederkoek­jes eten. En natuurlijk op pannen slaan, om de kwade geesten weg te jagen.’ ‘Kan dat nog wel? Moederkoek bedoel ik. Na de negerzoen, zigeunerschnitzel, joden­koek…’ ‘Aan die patriarchale pikpraat van jou heb ik geen behoefte.’

Weer keek ze me met gefronste wenk­brauwen aan, de zwarte weduwe in haar klom omhoog. ‘Als queervrouw ben ik op zoek naar zuiverheid, eenheid. Terwijl jij,’ haar wipneusje ging de lucht in en ze inhaleerde de bloesemvolle lucht, ‘je li­chaam vergiftigt en bezoedelt.’ Voordat ik op haar onheuse bejegening kon rea­geren, greep R. in. ‘Daan, jij laat jezelf toch wel vaccineren? Ik hoor steeds va­ker verhalen van… laat ik het zo zeggen, hoogopgeleide en verstandige vrouwen die zo’n prik weigeren.’

‘En wat heeft mijn opleiding hiermee te maken?’ Ze wilde geen antwoord op die vraag. ‘Zoals ik al zei wil ik voor mijn kleine alleen natuurlijke producten, dus die chemische rotzooi komt niet mijn li­chaam in. Ze proberen je afhankelijk te maken, angst te zaaien, terwijl ik geloof dat mijn tempel een holistisch geheel is: alles staat met elkaar in verbinding en die circulatie moet je niet doorbreken. En zo is moeder natuur ook: ze reinigt zichzelf. Kijk om je heen: polio is toch ook ver­dwenen.’ Ik rommelde wat in mijn rug­zak, pakte mijn volgend speciaalbiertje. Vrouwen, ik zal ze nooit begrijpen.

Ze pakte haar actiezakken op. ‘Leuk je weer gesproken te hebben,’ zei ze tegen R. Ze negeerde mij en wandelde weg. Op de achterkant van haar T-shirt had ze een hart geschilderd: zelfbeminnen is de re­volutie, stond eromheen. ‘Weet je waar ik zin in heb?’ vroeg ik aan R. terwijl ik me uitrekte en naar de jongens met be­haarde bast keek die een frisbee over­gooiden. ‘Om weer eens goed volgespo­ten te worden. Zaad of AstraZeneca, dat maakt mij niet uit. Ik wil het allemaal. En eigenlijk nu. Spuit mij maar vol.’

TD

De coronacrisis heeft duidelijk gemaakt dat de venijnige lite­raire wereld – of de boekenwereld in het algemeen – er een is van eten of gegeten worden. Volgens mij heb ik in de vorige zin alles gedaan wat Stephen King verboden heeft, en in deze zin doe ik het weer. In Over leven en schrijven legt King uit dat je twee soorten werkwoordsvormen hebt: actieve en passieve. De passieve vorm moet je vermijden. Verder meldt hij dat het bijwoord niet je vriend is. Die opmerking zet hij zelfs cursief. De weg naar de hel is geplaveid met bijwoorden, laat King een paar alinea’s verder voor de zekerheid weten. Wat hij verder ook is, een subtiele schrijver is King niet. Inzichtelijk is zijn boek met leef- en schrijftips wél: je ziet waar Jan van Mersbergen zijn primitieve literatuuropvattingen vandaan heeft. Maar over Jan van Mersbergen – verrassende wen­ding! – gaat dit stuk niet. Het gaat over de literaire wereld en wat de coronacrisis daarover duidelijk maakt.

Schrijvers zijn in deze tijd altijd als eer­ste de pineut en je hoort er niemand over. Ik ben schrijver en ik vind het het mooi­ste beroep van de wereld. Voordat ik wat ik nu doe de hele dag deed, deed ik an­dere dingen. Ik heb gestudeerd, ik heb in dienst gezeten (ik was soldaat, geen officier), ik ben pr-functionaris geweest, ik heb zelfs een tijdje in een boekhandel gewerkt, bij Boekhandel H. de Vries in Haarlem, en ik heb in de porno-industrie gezeten. Ik ben ook recensent geweest – in die hoedanigheid besprak ik boeken van anderen voor een krant. Maar wat ik allemaal ook heb gedaan, niets bezorgt me zoveel vreugde als wakker worden, een kop koffie maken, aan mijn bureau gaan zitten en dan schrijven, precies zo­als ik nu doe, op dit eigenste moment. Dit is mijn situatie. Het is mijn leven.

En nu schrijf ik dít stuk, maar meestal zit ik hier een roman te schrijven. Of een toneelstuk. Ik schrijf, kortom, doorgaans aan wat wel een creatieve tekst wordt genoemd. Ik houd me bezig met fictie, met een niet-bestaande wereld. Ik doe iets wat veel mensen misschien wel zou­den willen doen. Maar dat kan niet. Niet iedereen kan schrijver zijn. Er zijn ook mensen die bijvoorbeeld in een boekhan­del moeten werken; zoals gezegd, ik heb dat zelf een poosje gedaan, daar schaam ik me niet voor. Een boekhandel bestaat echt, het is geen fictie – dat wil zeggen zolang dát nog duurt, dat de boekhan­del bestaat. In een boekhandel kan het bijvoorbeeld maandagochtend zijn. En op maandag kan het je allemaal weleens naar de keel grijpen.

Steven van Ammel is zo’n boekhande­laar voor wie het ook soms maandag is – voor wie het misschien zelfs wel elke dag maandag is. Daarnaast schrijft Van Ammel voor een krant. Hij heeft een column, begrijp ik van Facebook, in De Standaard der Letteren. Hij schrijft daar, zo liet hij ons trots door middel van het plaatsen van een foto van de column op Facebook weten, onder meer het vol­gende: ‘Het is een maandag, sowieso de slechts [sic] mogelijke dag om me uit te leggen hoe ik mijn passie moet belijden.’

Oké, het is niet meteen erg goed geschre­ven, het is zelfs slecht geschreven. Ge­lukkig bevat het wel een feitelijke mede­deling: het is maandag. Op welk moment in dit, míjn stuk, kan ik het woord ‘kan­toorhumor’ laten vallen. Nou, nu dus, het is gebeurd, het woord is gevallen. En verder gaan we. Wat voor verschrikke­lijks gebeurde er op de maandag waar­over Van Ammel het heeft? Dit: er kwam een schrijver de boekwinkel binnen.

Ik laat hier een stilte vallen, dat geef ik aan door met een nieuwe alinea te begin­nen (ik doe dit allemaal voor jou, Steven). Ik kijk uit het raam. Ik adem, ik leef. Ik kan door, wíj, Steven en ik, kunnen door. Wat gebeurde er? Steven, vertel, wat ge­beurde er? Dit. Die schrijver waagde het zich voor te stellen als de auteur van een van de boeken in de winkel. Van Ammel beschrijft de schrijver: ‘Hij zegt het op zo’n zelfvoldane wijze dat ik zelfs achter zijn mondmasker de grijns zie.’

Ik stel me voor dat Stephen King nu zo’n beetje in elkaar krimpt van ellende, de weg naar de hel is breed. Maar goed, een boekhandelaar hoeft natuurlijk niet te kunnen schrijven, maar hoe neerbuigend kun je zijn jegens een schrijver? Wat is Van Ammel hier aan het doen? Wees gerust, ik zal hier niet elke zin van zijn stukje met jullie doornemen. Het gaat me om de gedachte die erin wordt uit­gedragen. Om een fenomeen. Een trend. De schrijver die niet direct superveel verkoopt, verdient het om geminacht te worden. Elke dag komen er bij Van Am­mel, maar ook bij andere boekhande­laren, schrijvers de winkel binnen met zelfvoldane grijnzen achter ‘mondmas­kers’ die vragen waar hun boek ligt. En dat mag niet! We hebben het allemaal moeilijk, maar vooral de boekhandelaar heeft het moeilijk, niet de schrijver, die moet zijn mond houden.

Dat brengt me toch weer bij Jan van Mersbergen. Jan, schrijver van beroep, had een stukje geschreven en op Face­book geplaatst waarin hij als je het érg goed las heel misschien iets kritisch kon lezen over lezerscommunity Hebban. Die brave Jan! Altijd voorzichtig, altijd met iedereen aan het slijmen en nu had hij eens een keer een heel klein beetje kritiek. Hij kreeg prompt de wind van voren van Hebban-clublid Gigi van de Loo. Gigi van de Loo schreef in een re­actie: ‘O ja, volgens mij kun je [Jan dus] beter gebruik maken van de positieve kanten van Hebban, zoals met die leuke leesclub van onlangs, dan deze lezers te­gen je in het harnas jagen.’

Een schrijver bedreigen, of wegzetten als een zelfvoldane idioot… dat blijkt de meeste mensen gemakkelijker af te gaan dan solidair te zijn met hem of haar. Be­halve natuurlijk als de schrijver in kwes­tie een enorm goed verkopend fuifnum­mer is, dan kun je hem rustig steunen. Maar een schrijver die zich een beetje bezorgd maakt over zijn situatie, kan rustig belachelijk worden gemaakt en worden weggezet als iemand die mislukt is. Tot zover de solidariteit van boekhan­delaren en lezerscommunity Hebban met schrijvers. In de porno-industrie gingen ze netter met de acteurs om, zelfs als die niet succesvol waren.

AS

Dat het Nederlandse mediaveld een incestueus rattennest is wist u natuurlijk al. Afgelopen week werd dit nogmaals in uw gezicht gespuugd door de winstcijfers van DPG. 178 miljoen euro mocht de Vlaamse familie Van Thillo afgelopen jaar bijschrijven, mede mogelijk gemaakt door alle clickbait van de Onbetrouwbare Mannetjes in de Volkskrant, Holmans hetzes in Het Parool, Eus’ opgeboerde snackbarhap in Algemeen Dagblad en Euphemenico’s tweedagelijkse poging om de evolutionaire kloof tussen mens en gorilla te overbruggen in Trouw. Wilt u ontsnappen uit de klauwen van de Vlaamse leeuw? Kansloos. Mediahuis, de andere oligopolist met een hoofdkantoor aan de Schelde, bezit NRC en de Duklander Courant. Maakte in 2020 bijna 59 miljoen winst. En wat strijkt een freelancer bij deze kranten op? 14,5 cent per woord. En dat na een opslag van meer dan tien procent. Die Belgen mogen zich dan in 1830 hebben afgescheiden, de gierigheid hebben ze zich in minder dan 200 jaar goed eigen gemaakt.

Maar we moeten niet doen alsof al het kwaad bij Zundert het land binnenkomt. Het baantjes toeschuiven in letteren­land is endemisch. Neem Femke van der Laan: met haar column in Het Parool heeft ze meer geld opgehaald dan Eber­hard in zijn leven erdoorheen pafte. En wat is haar talent? Trouwen met een ter­minale vent. Dan is er ook het prinsesjeslegioen. Natascha van Weezel is op de bagagedrager van haar vader krantenkolommen binnengereden en verdedigt haar stellingen alsof het joodse nederzettingen op de Westelijke Jordaanoe­ver zijn. Charlotte Remarque wandelde door de door huisgenoot Papa opgezet­te deuren de Volkskrantredactie binnen. Als Alma Mathijsen niet de dochter van Marita was geweest had u haar enkel ge­kend als de kassière van de Albert He­ijn op de Westerstraat die u, na meerde­re malen de muntjes op de toonbank te hebben gelegd, altijd te veel of te weinig wisselgeld geeft. En hoe Jessica Kuiten­brouwer – inderdaad, u kent haar van… – afgelopen zomer aan een dagelijkse column in de Amsterdamse middagkrant kwam blijft in het ongewisse, maar het helpt wel als je de dochter van mediage­rontocraat Jan Kuitenbrouwer bent.

En als u denkt dat ik een seksist ben en enkel vrouwen onder handen neem, wijs ik u op het platonisch partnerschap Joost de Vries en Philip Huff. Die laatste haalt zelfrespect uit de 23 pandapuntenzegels die hij in zijn open relatie bij elkaar heeft gesprokkeld. Joost schuift Philip op­drachten van De Groene toe om de arme jongen van de bedelstaf te redden. Om u in herinnering te brengen: Huff ontving € 15.000, – voor een boek dat niet gaat verschijnen. (Mocht u denken: dat weet ik al, dat klopt. U weet het, ik weet het, Huff weet het. Die laatste las het in zijn jongeschrijversappgroep. Hij snapte niet waarom ze hem, nou altijd hem, moes­ten hebben bij PC. Ik schrijf het punt van de onterechte letterensubsidie nogmaals op, want het zou zonde zijn als dit soort nieuwtjes uit het publieke geheugen ver­dwijnen. Trouwens Philip, waarom heb jij je Wikipediapagina aangepast? Om­dat daarop verwezen werd naar een ne­gatieve recensie? Omdat je, aldus Jopie in zijn nieuwste boek, ‘een bepaalde re­censent van Het Parool haat’? 19 maart 2021, 23:58. Het is beter om dronken uit de buurt van je smartphone te blijven!) En Joost, ach arme Joost, wil zich vooral intellectueel voelen, dus omringt hij zich met Flippie’s om de Tiger Woods van de midgetgolfbaan te zijn. En als het tegen­deel het geval is, als hij geconfronteerd wordt met een artikel dat hem niet be­valt, zoals een waarin zijn vriendin een ‘dom gansje’ wordt genoemd door een Europarlementariër en de auteur de­zes dat slechts opschrijft, verklaart hij de boodschapper tot persona non grata. Maar wel in stijl, dus achter zijn rug om.

(Ik wil het toch ook voor De Vries op­nemen, want om zo vaak te kakken wor­den gezet om je intellectuele impotentie – in dit blad, in NRC, eigenlijk overal waarvoor hij niet schrijft – is niet leuk. Altijd maar die verwijten van plagiaat of voorspelbaarheid. In De Groene van 24 februari kwam De Vries met een verras­send en nieuw inzicht: Chinezen die protesteren tegen de bezetting van Nepal. Misschien had ik deze daad van agres­sie tussen de kaalscheercampagne op de Oeigoeren en strijd om de benoeming van Panchen lama gemist, maar ik heb het gevoel dat De Vries minder hoog­dravende boeken moet lezen en in plaats daarvan beter Netflix kan opstarten. Ik kan die ene film met Brad Pitt van harte aanbevelen.)

Genoeg gekankerd. Er is één medium in Nederland dat opstaat tegen deze kringvingercapriolen: De Correspondent. Zij doet niet mee aan de waan van de dag, creëert geen ophef of lokt lezers met doortrapte reclameslogans. ‘Wij kijken niet naar het sensationele, maar naar het fundamentele,’ staat in het oprichtings­manifest. Stelling 9: ‘We stellen de jour­nalistiek altijd boven financieel gewin.’ Zo ziet u maar: De Correspondent is an­ders. Beter dan de rest.

Wie de stapel boeken die De Correspon­dent de laatste jaren op de markt heeft gedumpt bekijkt, ziet op iedere flap de een na de andere schrijver of journalist de loftrompet opsteken. ‘Thalia Verkade is er zo eentje die verder graaft waar an­deren ophouden, en uiteindelijk met de meest prachtige en vooral verrassende ontdekkingen en inzichten weer boven­komt,’ complimenteert Joris Luyendijk de schrijfster van Het recht van de snel­ste. Maar het is nogal wiedes dat Luyen­dijk het goed vond, want de Correspon­dentstukken waaruit het boek bestaat zijn onder zijn neus als editor-at-large bij het medium gepubliceerd. Ziet u het voor zich, een redacteur die een boek van een collega, al dan niet terecht, de grond inboort? Dat zou niet goed zijn voor de verkoop, dus gebeurt het niet.

Op dezelfde kaft pronkt, naast een af­beelding van een schildpad, een sticker met de tekst ‘Dit boek laat je anders kij­ken’ van reptiel Arjen van Veelen, die zelf ook op de loonlijst van De Corres­pondent staat. Van Veelens boek Ameri­kanen lopen niet – toevallig ook uitge­bracht door De Correspondent – werd ook met niets anders lovende blurbs uitgebracht. ‘Wat kan een witte Neder­lander mij over mijn geboorteland ver­tellen? Meer dan ik dacht.’ Clarice Gar­gard. ‘Een van de heerlijkste pennen van Nederland.’ David Van Reybrouck. En voor welk medium schreven deze twee? Inderdaad. En voor Jesse Frederiks nieuwste bij De Correspondent, Zo had­den we het niet bedoeld, is good old Luy­endijk weer afgestoft om als smeerolie in de verkoopmachine te dienen.

Steeds minder stoelen, maar meer men­sen die met het spel meedoen. En ieder­een buigt en is lief, rukt iedere dag alle dons uit een kussen om het in een andere anus te stoppen. Ik ben blij als ik weer naar Parijs kan, het schijnt aan de Ave­nue Niel goed toeven te zijn.

TD

Archief