Het schrijven van een roman is tegenwoordig gelukkig een tamelijk obscure bezigheid geworden. Schrijf je niet op wat iedereen vindt en wat iedereen evengoed zélf zou kunnen opschrijven, zaken die zo voor de hand liggen dat een groot publiek denkt dat het intelligent is wat er wordt opgemerkt omdat ieder afzonderlijk lid van dat grote publiek het zelf ook had kunnen bedenken, dan bereik je nooit een substantieel leespubliek, en kun je dus lekker je gang gaan.

Ik heb het nu niet over praktische zaken als over hoe je je geld moet verdienen en hoe je tijd kunt vrijmaken om sowieso aan schrijven toe te komen. Het schrijven van literaire fictie is een nogal particulier gebeuren geworden, waarvan het resultaat nauwelijks nog ergens terug te vinden is, in elk geval niet in de betere boekhandel. Die heeft zich toegelegd op de verkoop van kerstkaarten en het werk van Ilja Leonard Pfeijffer – wat ongeveer hetzelfde is, behalve dan dat de boeken van de laatste niet bijzonder praktisch te gebruiken zijn als kerstkaart (ze komen de brievenbus niet door).

Zittend achter mijn computer of – nog beter – gebogen over mijn geheime schrift schrijf ik over zaken waar in feite niemand iets over wil weten of die in elk geval de sfeer behoorlijk zouden verzieken als ze in de openbaarheid zouden komen. Dat komen ze dan ook niet. Geheel conform de opdracht van de literaire schrijver wijs ik mijn lezers en mezelf op onze zwakheden, onze misdadige inslag en onze hypocriete gedragingen. En dan niet op zo’n manier als Pfeijffer en de andere kerstkaartenschrijvers doen, nee, het is de bedoeling dat je écht onder ogen ziet wat er mis is aan de mens – en dan hebben we het dus niet over zwaarlijvigheid of massatoerisme of de ondergang van het onderwijs of de dood van je kapper.

Uiteindelijk verschijnen er van mij wel degelijk boeken, maar die willen boekhandelaren liever niet in hun winkel leggen, want daar moet het wel een beetje gezellig blijven. Sommige boekhandelaren gaan zelfs een stap verder en proberen andere boekhandelaren ervan te overtuigen dat ze mijn boeken evenmin moeten inslaan. En enkele boekhandelaren van díé groep voeren zelfs campagne op sociale media om mijn werk in diskrediet te brengen. Het is werkelijk een eigenaardige situatie waarin ik ben beland. Plaatst iemand – een gewone, oprechte lezer – op Twitter de mededeling dat hij van mijn nieuwste boek heeft genoten, dan is er in elk geval één boekhandelaar die daar standaard meteen op reageert met het woordje ‘niet’. Je hebt er niet van genoten, wil hij daar mee zeggen, waarmee deze boekhandelaar niet alleen de aanval op mij en mijn boeken heeft geopend, maar ook op mijn lezers. Terwijl je die toch zou moeten bewonderen, want op de een of andere manier zijn ze erin geslaagd een boek van mij aan te schaffen. Aan de gemiddelde boekhandelaar zal dat niet liggen – ik vrees dat ik het grootste deel van mijn verkoop te danken heb aan de Blauwe Reus, oftewel bol.com.

Maar ook daar ben ik niet veilig voor ‘fysieke’ boekhandelaren. Die deinzen er namelijk niet voor terug zogenoemde ‘recensies’ te plaatsen op de daartoe bestemde ruimte op de website van bol.com. Deze fysieke boekhandelaren zijn weliswaar tégen de internetgigant, maar als het ze zo uitkomt proberen ze wel via diezelfde internetgigant auteurs te beschadigen. Het is al met al een fris volkje, die boekhandelaren. Met geestdrift delen ze één ster uit, anoniem, maar soms ook gewoon brutaal onder eigen naam.

Ik heb me al vaker verbaasd over deze beroepsgroep. Binnenkort begin ik aan een onderzoek naar het gedrag van boekhandelaren in de Tweede Wereldoorlog, volgens mij is daar nog weinig over bekend. Waren er toen eigenlijk boekhandels en zo ja, wat deden de uitbaters daarvan in die roerige tijd? Ik heb wel een donkerbruin vermoeden. Met de gretigheid waarmee ze nu de boeken van Telegraaf-auteur Pieter Waterdrinker opstapelen en het meer op Italië gerichte werk van Ilja Leonard Pfeijffer in de etalage tonen, waren ze toen vermoedelijk voortdurend in de weer met het fijn dikke boek van de van oorsprong Oostenrijkse auteur A. Hitler. Zouden ze toen ook kaartjes op die boeken hebben gelegd met aanbevelingen als: ‘Meeslepend’, ‘Dit is een boek dat je raakt’, ‘Een mokerslag’ en ‘Bij uitstek zinnenprikkelende treinlectuur’?

Maar terug naar nu. Het is geen oorlog meer. De moderne ondernemer hoeft geen lid meer te zijn van de NSB, hij kan gewoon VVD stemmen. De boekhandelaren plaatsen weleens foto’s van zichzelf of van hun spulletjes op Twitter en Facebook en Instagram. Dan hebben ze zich bijvoorbeeld in hun ‘zondagmiddagbubbel’ lekker geïnstalleerd in de woonkamer van hun eigen Villa Berghof, omringd door wat ze nu weer eens lekker een beetje gaan ‘aanlezen’ – met een lekkere schnaps erbij. Over welke moderne schrijvers hebben we het dan? Bomans. Biesheuvel. Maar weer eens een stukkie Waterdrinker. Muziek van vroeger op de achtergrond. De wandeling door de bossen is achter de rug. De laarzen zijn gepoetst. Morgen wacht weer een zware dag in de winkel. Kerstkaarten verkopen. Überhaupt een mooi feest, kerst. Cadeaus onder de boom. Allemaal boeken. Of beter nog: iedereen hetzelfde boek. Eén land, één volk, één boek. Ja, die kant moet het op. Net als in de oorlog. Lukt dat, dan doe je toch iets goed als boekhandelaar. Maar eerst nog even naar de computer. Waar kan ik die Storm – mooie naam eigenlijk wel, jammer – nu weer eens één ster gaan geven? Nee, gewoon één ster, niet zó’n ster, daar maken we liever geen grappen over. We blijven altijd een beschaafde boekhandelaar.

AS

In museum Meermanno in Den Haag is momenteel een tentoonstelling over foute boeken te zien. Het Groote Negerboek, Het Kerstjoodje, Moeder, vertel eens wat van Adolf Hitler en het volledige werk van Annie M.G. Schmidt liggen tot maart 2020 in grote vitrines opgebaard. Pas als we ons er allemaal nog één keer aan hebben verlekkerd wordt de boel in de hens gestoken. ‘Bezoekers mogen ook zelf aangeven welke boeken zij niet meer vinden kunnen,’ aldus een trotse persvoorlichter. Ja, laat de gewone man het vuile werk maar weer opknappen. Ik kan alvast zeggen dat de curator de foutste werken is vergeten: Het Grote Foute Jongens Boek (Deel 1 en 2) van Arthur van Amerongen en Rob Hoogland.

Het zou natuurlijk chic zijn als auteurs van titels als 10 kleine nikkertjes toegaven dat hun boeken niet meer kunnen en hun NS Publieksprijzen zouden inleveren. Dat doen ze niet, niet in de laatste plaats omdat ze dood zijn, maar ook omdat ze weten dat die boeken daar echt niet subtieler van worden. Hier gaat het mis bij Van Amerongen en Hoogland. In de titel aankondigen dat je fout bent (alsof dat niet al voor zich spreekt als je jezelf op die leeftijd ‘jongen’ noemt) maakt je niet minder fout. Ik heb medelijden met de bescheiden bureauredacteur die moet hebben opgemerkt dat het toch zeker ‘jongensboek’ zoals in Het Groote Negerboek moest zijn, en niet ‘Jongens Boek’, met al die rare hoofdletters. ‘Nee!’ zullen de auteurs hebben gebruld. ‘Het gaat erom dat wij, de jongens, fout zijn!’ Dan nog klopt er natuurlijk niks van die titel. Pijnlijk, zeker omdat de heren zich helemaal gek kunnen ergeren als zo’n malle migrant weer niks van het ex-kofschip heeft gebakken. ‘Wij zijn taalnazi’s,’ aldus Hoogland. Laat dat taal maar gerust weg.

De foute titel heeft het tweede foute boek gehaald. En waarschijnlijk gaat hij ook het derde deel halen, want in het laatste hoofdstuk kondigen Van Amerongen en Hoogland aan dat dat er gaat komen. Zover is het gelukkig nog niet, maar de tijd dat de heren zich beperkten tot hun paar vierkante centimeters in de krant ligt ver achter ons. Voordat de twee elkaar op Facebook leerden kennen leefde Van Amerongen een rustig bestaan op zijn slangenboerderij in de Algarve. Iedere ochtend stond hij vroeg op om zijn dieren te melken en later op de dag het gif te nuttigen. Soms was het wat meer en mailde hij het stuk dat hij na de inname schreef naar HP/De Tijd, soms was het minder en mailde hij de Volkskrant. Zijn eigen reptielenkop liet hij maar zelden zien in Nederland. Ondertussen bestierde Hoogland 2500 kilometer verderop een column in De Telegraaf. Hij was bijna toe aan zijn 7000ste stukje en, eerlijk is eerlijk, hij zat zich weleens te vervelen in zijn study. Dan gooide hij wat pijltjes naar een dartbord, of hij gooide for old times’ sake zijn gestrekte rechterarm met vlakke hand schuin de lucht in, grinnikend omdat dat natuurlijk echt niet kon. Een spiegel had hij niet, want naar eigen zeggen schrok hij zich een hoedje als hij erin keek – en terecht. Hadden de makers van The Exorcist Emile Roemer als Regan gecast, dan had Hoogland het meisje in haar demonische staat moeten spelen.

Volgens hun uitgeverij Pepperbooks zijn er opvallende overeenkomsten tussen Van Amerongen en Hoogland: ‘humor, spitsvondigheid en maling aan politieke correctheid’. Een mens vraagt zich af waarom het nog zo lang heeft moeten duren voordat deze dolende zielen elkaar vonden. Het is prachtig dat de twee elkaar nu kunnen complimenteren met hun ‘vlotte pennetje’, maar jammer dat ze daarbij menen een lezerspubliek nodig te hebben. En wij moeten dat allemaal maar normaal vinden. Sterker nog: volgens Pepperbooks moeten we er lol aan beleven. ‘Van Amerongen en Hoogland zeggen onverbloemd wat ze vinden en passen daarbij vaak het stijlmiddel van de satire toe.’ Het hele punt van satire is dat je juist niet onverbloemd zegt wat je ergens van vindt. Maar goed, iedere mongool maakt weleens een foutje en we snappen heus wel wat de heren in hun boek hebben geprobeerd. Om hun foute meningen wat cachet te geven hebben ze deze verpakt in archaïsche taal die meteen het hele boek onverteerbaar maakt. Het is ‘ofschoon’ dit, ‘derhalve’ dat. Ook vousvoyeren de heren elkaar en wordt de tweede naamval in hun boek vaker gebruikt dan maandelijks in de vrijstaat Beieren. In het eerste deel maakten de tekeningen van Gabriël Kousbroek nog een hoop goed, maar dat plezier is ons in deel 2 ontnomen. In plaats daarvan worden we opgezadeld met een voorwoord van Leon de Winter, die Van Amerongen en Hoogland niet kent en hun boek niet heeft gelezen maar desondanks heel blij is dat het nu bestaat.

Als er op het omslag van een boek staat dat ‘alle denkbare onderwerpen de revue passeren’ weet je dat het nergens over gaat. Nou ja, wel over goede vriend Theo Hiddema natuurlijk. En over Hooglands reisjes naar Pattaya. ‘Er gebeuren merkwaardige dingen, daar in Thailand.’ Gierend schrijft Van Amerongen dat hij nog wel wat andere #MeToo-achtige verhalen over ‘oom Rob’ kan vertellen. Doet hij natuurlijk niet. Nee, liever schrijven de heren over de buitenlanders, want daar mag ook weleens wat over worden gezegd. Of die vrouwen die allemaal willen klaarkomen. Waar is dat nou weer goed voor? vraagt Rob dan. Arthur kan het hem niet vertellen. Je hoeft ook niet alles te weten. Soms is het al genoeg om te schrijven dat je trek hebt in een haring of een goed glas jenever. Eigenlijk kunnen Van Amerongen en Hoogland alles opschrijven wat ze willen. Jongens zijn het, maar foute jongens.

TS

Arthur van Amerongen en Rob Hoogland, Het Grote Foute Jongens Boek Deel 2. Pepperbooks, €19,99

Volgens zijn uitgeverij Ambo|Anthos is Leo Blokhuis een ‘geboren verteller’. Weinig verrassend: als het om verhalende capaciteiten gaat geloven publiciteitsmedewerkers niet in nurture. U kunt natuurlijk bevragen of ‘vertellen’ überhaupt is wat een roman behoort te doen. Dat terzijde: Leo Blokhuis is helemaal geen verteller. Leo Blokhuis is een uitlegger. Om daar achter te komen hoeft u slechts het eerste hoofdstuk van Blokhuis’ debuutroman Blauwe zomer te lezen – of deze korte recensie, en die tweede optie raad ik u aan.

Een favoriet van de ‘geboren verteller’ is het ‘sprekende detail’, en ook Blokhuis steekt observaties in zijn verhaal die daarvoor door moeten gaan. Blauwe zomer begint met een autorit door Soerabaja, en iedereen die over Indonesië schrijft weet waar hij dan de sprekende details vandaan moet halen: uit zijn neus. Leo’s hoofdpersonage ruikt de ‘zoete geur van de bloeiende melati’ die zich mengt met de lucht van ‘een vleug kruidig eten afkomstig van het karretje aan de stoeprand’. Niet veel later walmen in zijn gedachten ‘orchideeën die aan de rand van de veranda hingen’ en ‘de papajabomen in de tuin’. De taxi ruikt, iets minder oriëntalistisch, ‘naar luchtverfrisser en een beetje sigarettenrook.’ O, die heerlijke Indische geuren.

Ook een vertellersliefhebber die zich aan dat hysterische tropengesnuffel niet stoort loopt al snel tegen andere gruwelen aan die duidelijk maken dat Blokhuis hoogstens achter een lessenaar hoort, maar in ieder geval niet in een fonds Nederlandstalige fictie. Neem de volgende twee zinnen: ‘De brede Coen Boulevard heet nu Jalan Dr. Soetomo, ziet hij. Hij was een van de architecten van de Indonesische nationalistische beweging.’ Zulk spreekbeurtenproza hoort zelfs in een lesmethode voor het middelbaar onderwijs niet langs een redacteur te komen.

Het kan altijd erger, want even later krijgt de lezer een koppel bijzinnen te verwerken dat informatie overdraagt met de subtiliteit van een paspoort: ‘In een donkere ruit ziet hij de weerspiegeling van zichzelf, Chris Buisman, vijfenzestig jaar oud.’ Als dit het werk is van een ‘geboren verteller’ kan het bevolkingsregister ook meteen tot simultaneïstisch meesterwerk worden benoemd. Mocht het determinisme dat de publiciteitsafdelingen van Nederlandse uitgevers in zijn greep houdt door de wetenschap worden bevestigd en bestaat er daadwerkelijk een vertel-gen, dan heeft Leo Blokhuis het niet geërfd.

BN

Leo Blokhuis, Blauwe zomer. Ambo|Anthos, €21,99

Tilburg-Noord, 13 september 2019

Dag Joost,

Ik heb lang geaarzeld of ik je zou schrijven. Mijn ergernis was groot, maar mijn trots was nog een maatje groter. Nu mijn brief is ingebed in een publieke en fluweelharde context kan ik beide emoties honoreren.

Een paar maanden geleden heb je gebruik (lees: misbruik) gemaakt van je kersvers verworven positie als adjunct-hoofdredacteur, en daar heb ik een en ander over te zeggen. Waarover zo meteen meer. Eerst enkele observaties.

De afgelopen jaren heb ik je beklimming van de hiërarchische ladder geamuseerd gevolgd – je gemanicuurde handen daadkrachtig aan de stijlen geklonken, je lakleren schoenen ongeduldig op de sporten gedrukt, je met een aan de hoogtijdagen van het interbellum refererende scheiding versierde hoofd steevast omhooggericht. Je deed me enigszins denken aan Francesco Petrarca, die de Mont Ventoux moest en zou beklimmen, om de omgeving als een god te kunnen overschouwen. ‘De wandelaar boven de nevelen.’

Over de eerste sporten van de ladder, de corporale inwijdingsrituelen bij De Groene, heb ik het nodige vernomen; de archaïsche gebruiken die nogal conflicteren met de #metoo-verontwaardiging die regelmatig de kolommen van jullie blad vult – ziehier de bivalente mens in nuce. ‘De medewerkers van De Groene fungeren als communicerende vaten,’ beweerde je nog niet zo lang geleden in een interview. Ook jullie lichaamsvloeistoffen zijn met elkaar verbonden. Niets aan te doen.

Hoe dan ook, je bent bijna bij de top, nog een paar sporten. Pas je wel op dat je ambitieuze zucht naar zelfverwerkelijking niet leidt tot in arrogantie gedrenkte zelfoverschatting? Hoeveel van je schrijvende generatiegenoten heb je wel niet proberen te degraderen tot labeurende amateurs? En hoeveel van je schrijvende redactiegenoten, de communicerende vaten, heb je wel niet proberen te lauweren?

Tot zover de observaties, nu de feiten.

Samen met een collega, een vrouw die haar sporen in de literatuur ruimschoots heeft verdiend, ontwikkelde ik een ‘literair-humanistisch concept’. Dat klinkt wellicht braaf en suf, maar dat is het allerminst. Maar dat weet je natuurlijk allang, je hebt ons plan immers gelezen, dus daar hoef ik niet over uit te weiden.

Omdat we alle schrijvers die we erbij betrekken fatsoenlijk willen betalen, gingen we op zoek naar geld. Het Nederlands Letterenfonds toonde interesse, maar stelde als voorwaarde dat we een partner zochten met een groot (digitaal) bereik – het vertrouwen in de boekwinkel slinkt. Mijn collega kent je bazin persoonlijk, dus een oriënterend gesprek volgde snel. Xandra was enthousiast over onze plannen en wilde graag samenwerken.

Een paar dagen later belde mijn collega me op; ze klonk verontrust, ontstemd ook. De Groene kon niet met ons, nee: met mij in zee gaan; jij had in de redactievergadering een veto uitgesproken. (De troonswisseling is nabij.) Wat had ik in hemelsnaam gedaan dat De Groene mij in de ban deed? Van het bangputti dat ik te horen kreeg kon ik geen chocola maken. Mijn collega vroeg door en… hahaha… gevolgd door tsjonge jonge…

In 2015 voerde je een publieke polemiek met P.F. Thomése over ironie. Volgens jou was ironie een overleefde stijlvorm voor oudere generaties, voor Thomése is het ‘een gecompliceerd wapen waarmee je raak kunt schieten door heel precies net naast het doel te mikken’. Om de discussie in een royalere etage te zetten, schreef ik samen met Joris van Casteren een ironisch essay over ironie: Mag De Kracht Met Mij Zijn. We spraken af dat we er allebei een kwartier aan zouden besteden, om het speelse karakter te behouden – ons plan was gesmeed in het met (oprecht) plezier en (onoprechte) verontwaardiging opgepookte gloeivuur van onze geestdriftige liefde voor de door jou zo verfoeide stijlfiguur.

Als auteursnaam kozen we voor: Joost de Vries. Vervolgens stuurden we het essay voor publicatie naar ThePostOnline, de rechtse tegenhanger van De Groene. Bert Brussen accepteerde het in grote dankbaarheid – we legden hiermee het heimelijk verlangen naar verbroedering tussen rechts en links bloot, een mooie bijvangst.

Ik citeer enkele passages uit het essay (het staat nog altijd online), waarin we jouw Star Wars-passie naar een hoger plan tillen:

‘C-3PO, R2D2, ik zou ze kunnen duiden als Warriors Against Irony, als Symbolen Van De Rede Die Nooit Versaagt. Honderd procent betrouwbaar, roestvrijstaal – beschavingen komen, beschavingen gaan, maar C-3PO en R2D2 blijven altijd bestaan. Ik vind dat een troostrijke gedachte.’

‘Toen ik schrijver werd heb ik me voorgenomen om als een soort van protocoldroid het luchtruim van de literatuur te bewaken en te beveiligen, desnoods met piew piew, een spervuur van woorden welteverstaan, geweld is altijd verkeerd. Mag De Kracht Met Mij Zijn.’

Pas na drie dagen werden we ontmaskerd, een teken dat veel rechtse lezers je de nodige ironie toedichten. De TPO reageerde overigens sportief. Jij zweeg, jij bleef zwijgen, maar je binnenwereld implodeerde bijna. Je was blijkbaar zo diep gekwetst dat je drie jaar na dato een mede door mij bedacht prachtproject uit De Groene hebt geweerd – piew piew. Op een indirecte manier nog wel, in de hoop dat het buiten mijn gezichtsveld zou blijven.

Het is veelzeggend dat je de brandspiegel niet direct op mij hebt gericht; je verblindt liever anderen, zodat ze mij niet meer kunnen zien. Laf. Zielig. Broodroof.

Tot zover deze therapeutische exercitie, Hauptmann Von Vries. Je wordt bedankt.

Zet eens een clownsneus op, je wordt er een prettiger mens van.

Met lauwwarme groet en een fikse kneep in je kolossale bips,

A

Ik heb me voorgenomen niet meer over vrouwen te schrijven. In het vorige nummer beoordeelde BN ene Stefanie Koorneef met ‘een krappe zes en een half’, deze week vond ik een stuk op de redactie-mail met als onderwerp ‘700 woorden marxistisch racisme en seksisme van BN’. Dat ik hier als vrouw iets tegenover moet stellen is me duidelijk, zeker als ik wil dat Marja Pruis me blijft groeten in de wandelgangen van De Groene. Maakt u zich dus geen zorgen: dit stuk gaat niet over vrouwen. Het gaat over meisjes. De Kunstmeisjes om precies te zijn, want zo heet dit collectief van dertigers.

‘Kunstmeisjes met manuscript.’ 1885, olieverf op doek, 81 x 96 cm.

Wat zijn kunstmeisjes? Geen acrobates, leden van knutselclub CreaBea of weduwen van Anton Heyboer. Kunstmeisjes zijn vrouwen die kijken naar kunst en erover bloggen. Of er een boek over schrijven, want zoals Hitler, Mao en Monica Geuze lieten zien moet het kwaad zich vroeg of laat tussen twee kaften nestelen. ‘Kunstmeisje is een lichtelijk denigrerende naam’, zo geven de drie blog-oprichters Mirjam Kooiman, Nathalie Maciesza en Renee Schuiten-Kniepstra toe. ‘Er heerst een bepaald stereotiep beeld van jonge vrouwen als gallerinas in de kunstwereld. Wij willen de ironische naam ‘kunstmeisjes’ reclaimen en er een andere betekenis aan geven.’ Als het patriarchaat je beledigt kun je je verzetten, of dankbaar zijn dat je zelf geen originele naam meer hoeft te verzinnen.

 

De term ‘kunstmeisje’ zou inderdaad ironisch zijn als Kooiman, Maciesza en Schuiten-Kniepstra lieten zien dat je als ‘meisje’ kunstgeschiedenis kunt studeren, als conservator bij het Stedelijk kunt werken of als curator bij het Rembrandthuis. Kortom, dat je met je beperkte stemvolume toch boven Jasper Krabbé uit moet proberen te schreeuwen. Maar wat er nog ironisch is aan de naam kunstmeisjes als je Rembrandt onophoudelijk je ‘BFF’ noemt of een zin noteert als ‘We hebben het allemaal wel eens meegemaakt: je bent aan het daten en je bent smoorverliefd’, dat wordt niet duidelijk. Wil dit trio zich per se van ironie bedienen, dan kunnen ze beter kiezen voor de titel Les Connoisseurs des Beaux Arts. Met hun thematiek zal het marmeren beeld van ‘oppervlakkig hertje dat vooral goed is in champagne drinken tijdens openingen’ hoe dan ook niet omver worden geworpen. (Het is mij trouwens volledig onduidelijk waarom je zo’n gevaarlijke uitspraak zou doen – gratis drank is toch wat de kunsten nog een beetje de moeite waard maakt.)

Hoewel De Kunstmeisjes het hoog tijd vinden dat ze eens serieus genomen worden, zijn ze de eerste om toe te geven dat hun boek eigenlijk niet serieus is. Op grond waarvan we ze dan wel ernstig moeten nemen blijft vaag. Wat hun betreft is De Kunstmeisjes – Vijftig kunstwerken om langer dan twintig seconden naar te kijken niet bedoeld voor kenners, maar mogen die het, zo lezen we in het voorwoord, wel kopen, ‘al is het maar als artistiek-literair verantwoorde deurstop’. Meisjes toch! Moet dat nou? Nog even en ze schrijven dat kunstkenners zich met dat boek wel even op hun lichamen mogen afreageren. In hetzelfde voorwoord lezen we waarom De Kunstmeisjes ondanks hun missie vrouwen als volwaardige mensen op de kaart te zetten toch af en toe dit soort taal uitslaan: ze maken graag gebruik van ‘een vleugje humor’. Humor! Dat hebben meisjes helemaal niet! Daar durfde het volledig vrouwelijke redacteurenbestand van Meulenhoff zeker niet over te beginnen.

Als De Kunstmeisjes niet is geschreven voor kenners, is het niet zo moeilijk te bedenken wie er dan de klos zijn: wij leken. In een interview in Het Parool zegt een van de schrijfsters dat het doel was om ‘toegankelijk over kunst te schrijven’. Algemene tip: waar het woord ‘toegankelijk’ staat, kunt u eigenlijk altijd ‘achterlijk’ lezen. Neem de eerste zin van het tweede hoofdstuk: ‘Een geslaagde selfie maken is alsof je midden in de nacht dronken een bestelling bij de lokale snackbar doet: alles erop en eraan, met extra saus.’ Bent u er al klaar mee? U bent niet de enige. Deze kwelling gaat nog pagina’s door, om uit te komen op de volgende conclusie: niet Kim Kardashian is de ‘Queen of Selfies’, maar Rembrandt. Als Rembrandt dat had geweten had hij al zijn zelfportretten in de gracht gegooid. Ander voorbeeld: om aan te geven dat de kunstenaar Daan van Golden schoonheid in huiselijke details zocht, wordt de volgende introductie over de lezer uitgestort: ‘Het is een kunst op zich: de kleine dingen in het leven waarderen. Wanneer je bijvoorbeeld een regenboog ziet. Of waar Willy Alberti al over zong: de glimlach van een kind.’

Waarom moet het toch allemaal zo dom? De Venus van Botticelli kruipt van schaamte terug in haar schelp, de Mona Lisa slaat na vijfhonderd jaar haar ogen neer. Als je lezers echt zo nodig wil enthousiasmeren, vertel dan gewoon iets interessants in plaats van steeds een knieval te maken omdat je denkt dat de mensen dat leuk vinden. De Kunstmeisjes hebben heus zinnige dingen te melden: ze adviseren je om wat langer naar een kunstwerk te kijken, om überhaupt eens naar een museum te gaan, en om niet meteen alle bijbehorende bordjes te lezen. Mijn advies: lees ook hun boek niet.

TS

De Kunstmeisjes, De Kunstmeisjes, Meulenhoff, € 22,99

 

 

Archief