Geboortegolf of niet, dat de ooievaar binnenkort een ingebakerd pakket Coronaromans af komt leveren staat vast. Propria Cures vroeg alvast een aantal bekenden hoe de aankomende stormvloed van virusliteratuur hun leven en werk beïnvloedt.

Mai Spijkers

En dan denken ze in de zorg dat ze het zwaar hebben! Wij hebben hier een hele extra afdeling op moeten zetten; gepensioneerde redacteurs terug moeten roepen, een hele zooi studentes tot publiciteitsmedewerkers moeten ridderen… Nee, breek me de bek niet open. Ik weet niet of de Nederlandse uitgeef-infrastructuur wel klaar is voor een publicatiegolf van zulke afmetingen. Want dat het allemaal gepubliceerd moet worden, dat staat natuurlijk vast. We gaan hier niet aan triage beginnen.

Peter Buwalda

Ik geloof er niks van, die aankomende ziektevertelsels. Mooie voornemens kunnen ze allemaal wel hebben; zolang de scholen dichtblijven schiet je geen sodemieter op, doordat er de godganse dag een roedel krijskleuters om je bureau cirkelt. Ik heb zelf Jet ook al moeten ze vragen of ze d’r muil wat vaker kan houden en niet door Ludwich Von heen wil tetteren, maar er wordt hier in ieder geval relatief inhaalwerk verricht. Houd die kinderinrichtingen nog maar lekker lang gesloten!

Eveline Aendekerk

Schrijven? Ho, ho, laten we even rustig aan doen. De enige manier om een goede schrijver te worden is eerst heel veel te lezen! Deze situatie biedt een prachtige kans om niet op kantoor je cup-a-soupmomentje te pakken, maar thuis de hele dag de vermicellisoep der letteren op te lurken! Ik ben de laatste tijd weer prachtige boeken aan het lezen. Annejet van der Zijl, bijvoorbeeld. Wat een verhaal! Voor iedereen die nu in isolement zit is het een mooie boodschap, dat liefde altijd overwint. Telefoonseks met een slechte verbinding of verliefd worden op een slavin, uiteindelijk moeten we allemaal met barrières om leren gaan. Welke docent kan dat nou beter uitleggen dan de literatuur?

Daan Heerma van Voss

Ergens aan het eind van de eerste week schoot het me te binnen: ik ben niet de enige die thuiszit. Plots kon ik me voorstellen dat we allemaal, gescheiden maar toch samen, in deze precaire gevangenis zitten. We’re all fucking in this together, allemaal achter onze eigen zelfopgerichte tralies. Ik moest meteen aan al die prachtige, breekbare getuigenissen en kronieken denken die ik las toen ik geschiedenis studeerde. Otto Frank, eat your heart out, want dat kan ik beter. Ik ga het verzamelen, alles wat deze generatie nu doormaakt moet voor het nageslacht behouden blijven.

Mijn tante is met een Poolse man getrouwd en het was hij, oom Adam, die mij mijn eerste glas wodka gaf. Ik was zeven jaar oud en verlangde naar deze vrucht van de verboden boom. Grote mensen dronken wodka en ik voelde me een heuse meneer – kinderlijke zelfoverschatting gaat vaak voorbij, behalve als je Özcan heet – dus ik drong aan, jengelde, zeurde op de verjaardag van Adam totdat hij een glaasje met de afdruk van de heilige Sebastiaan erop voor mij neerzette. ‘Een cadeau van een grote man aan een andere grote man’, zei hij met een grijns op zijn gezicht.

Hoe dit afliep hoef ik verder niet uit te leggen. Ik kan dat wel proberen, maar dan verval ik waarschijnlijk in clichés over kinderen en alcohol.* Deze gebeurtenis (en vele andere activiteiten waarbij ik werd ondergedompeld in de Poolse cultuur) hebben mij drie wijze lessen geleerd. Ten eerste: Polen houden van cadeaus (geven en krijgen), ten tweede: ik houd van Polen, en, tot slot: Polen en ik houden van drank.

Op mijn dertiende had ik een zomerbaantje in een kas waar perkplanten werden gepoot. De enige reden dat ik dit werk deed was omdat mijn moeder me ertoe verplichtte zodat zij in de vakantie niet de hele tijd een hyperactieve puber in huis had. Om vier uur ging mijn wekker, om vijf uur stond ik aan de lopende band petunia’s en begonia’s te stekken en om deze geestdodende activiteit dragelijker te maken gingen de waterflesjes van mijn Poolse collega’s van hand tot hand, zodat iedereen grinnikend en lichtelijk verdoofd om half tien ’s ochtends koffiepauze had. Als mijn moeder had geweten dat zij de basis zouden leggen voor mijn alcoholmisbruik, mijn vroegtijdig ingetreden geheugenverlies en mijn buitenechtelijke, niet-erkende dochter had ze waarschijnlijk toch voor ritalin of een postnatale abortus gekozen.  

Polen delen alles. Hun drank, en ook hun land, ze delen alles met iedereen: Duitsers, Russen, Oostenrijkers, iedereen mag een stuk Polen hebben. Behalve Joden, homo’s en andere minderheden, maar laat ik de Nederlandse gewoonte om altijd iets irritants, iets zuurs te moeten zeggen achterwege houden. De toezichthouder in de kas had die gewoonte wel; Maarten heette hij, een gierige klootzak die niet snitchte bij de baas, maar wel als zwijggeld iedere week een fles van Jan – mijn collega die mij het meest onder zijn hoeden nam – eiste.  

Enkele weken geleden hield Jan een feestje en ik was uitgenodigd. Op de fiets naar het afgelegen adres in Aalsmeer dat hij aan mij had doorgegeven verheugde ik me al op de zelfgestookte wodka. Hoewel ik weet dat zelfgemaakte drank gevaarlijk kan zijn, knijp ik bij Jan en zijn vrienden graag een oogje toe. Ik kwam aan op het adres dat hij had doorgegeven en ik keek verbaasd rond. Er stonden oude caravans die ooit wit waren, maar nu werden gedomineerd door groene en zwarte schimmelvlekken. Tussen de caravans stond een overwoekerd huis, een sloopkeet waaruit stroboscooplicht en teknobeats kwamen.

‘Welkom, welkom, goed dat je er bent.’ Ik was de drempel nog niet over of de eerste fles wodka en een cilinder Tyskie werden in mijn handen gedrukt. ‘Oude gewoontes slijten niet’, dacht ik en nam een teug uit de fles. De woonkamer annex keuken stond vol met mannen van midden dertig die dansten alsof ze een vliegtuig waren: armen gespreid en klaar om naar de vertrekbaan te taxiën. 

‘Met hoeveel woon je hier?’ schreeuwde ik in Jans oor. ‘Eenentwintig. We hebben geluk dat een collega terug naar Polen moest voor de begrafenis van zijn oma. Daardoor is er nu een stapelbed half bezet.’ Een rondleiding door het huis maakte mij duidelijk dat niet iedere Pool een loodgieter of klusjesman is. Tweeëntwintig slaapplekken in een kamer waar een gebrek aan isolatiemateriaal ervoor zorgde dat airconditioning niet nodig was. Waar ooit een trapleuning zat waren nu alleen nog gaten in de muur waar insecten uit krioelden. Het was een pand dat geen ander doel kon hebben dan deze Poolse bollenpartizanen huisvesten. 

Na enkele glazen wodka veranderde ik van een muurbloem in een superpool, ik sloeg mijn vleugels uit en nam bezit van de dansvloer. Onbekende mannen sloeg mij op mijn schouders en omhelsden me, het was ware verbroedering zoals alleen alcohol dat kan doen. ‘Fuck Otto’, schreeuwde de kale man naast me. ‘Fuck Otto’, riepen anderen terug. De muziek van Mr. Polska beukte uit de speakers, maar deze mannen kwamen er bovenuit met hun oerkreet. 

‘Wie de fuck is Otto’, vroeg ik aan Jan toen we buiten meer spiritus gingen halen. ‘De huisbaas, de werkgever, het uitzendbureau. Otto is alles; God, en nog veel meer.’ Jan nam een grote slok. ‘En het ergste is dat hij goede vriendjes is met die Klaas Dijkhoff van jullie. Hij geeft die lul kaartjes voor PSV en wij maar tussen de ratten leven.’

‘Maar dat is godverdomme corruptie!’ Het Poolse spraakwater deed wat hij altijd bij me doet. ‘Nee, bij ons in Polen had dat corruptie geheten. In Afrika ook; of in Brussel, daarom heet die stad ook klein-Congo. Hier, in Nederland’ en Jan pakte me vast, als een vader die zijn zoon een les wilde meegeven, ‘noemen we dat investeren.’ Ik knikte en kotste over hem heen. De Poolse cultuur was me toch teveel geworden. 

TD

* Murat Isik, Wees onzichtbaar, (Amsterdam, 2017), 5.

Als ik twintig minuten te laat Lunch- en Grillroom Chhiwat Bladi in Amsterdam Nieuw-West binnenloop, zit Arjan Peters er al. ‘Leuk hier hè? Ik vind dit altijd een heerlijke vrijplaats. Ik kwam hier vroeger regelmatig met mijn schaduwgezin,’ vertelt hij opgewekt. ‘Toen was dat allemaal nog een beetje geheim. Nu ben ik de schaamte voorbij en mag die kleine donkere ook op de foto op Facebook.’ Ik was hier graag langer op doorgegaan, maar Peters verandert van onderwerp. ‘Leuk hoor, dat je me vroeg om te gaan lunchen, meestal ben ik degene die dat vraagt. Zullen we wat bocadillos delen?’

Op mijn verbaasde blik – bocadillos, kortweg boca’s, zijn immers Spaanse tapas die zijn oorsprong vinden in de Romeinse oudheid en toen nog bocadilus heette – reageert Peters licht geagiteerd: ‘Ja kijk, je mag van mij ook een tajine bestellen, maar dat is dus een beetje appropriation hè. We kunnen voor het idee natuurlijk wel een bocadillos met kefta bestellen. Ik zag in jullie rubriek dat Harold Hamersma vorige week een rekening van rond de honderd bij elkaar heeft gebikt. Er stond zelfs een gegratineerde koningskrab op de bon. Dat zou je bij de Volkskrant niet moeten proberen. 010 betaalt, neem ik aan?’

Het valt me op dat Peters af en toe wat schichtig om zich heen kijkt. Hij legt desgevraagd uit dat hij zich de laatste tijd ‘opgejaagd wild’ voelt. ‘Ze hebben het op me gemunt,’ fluistert hij me toe. Op de vraag wie ‘ze’ zijn schudt hij kort met zijn hoofd. ‘Dat doet er niet toe, iedereen heeft zo zijn vijanden, zeker een invloedrijk criticus als ik.’  

Aanleiding voor dit lunchgesprek is zijn pas verschenen boekje Balgeil, Peters’ verzamelde korfbalcolums die hij voor de Westerpost schreef, de online buurtkrant waarvoor Peters sinds vorig jaar als vrijwilliger actief is. Het blad draait nog steeds op Dreamweaver, vertelt hij vrolijk, maar het gaat om de inhoud. ‘Net als bij schrijvers.’ Hij heeft veel plezier in zijn nieuwe bezigheden. ‘Toen Lat is hoog over, mijn voetbalcolumns over het WK 2018 verscheen, heb ik ontdekt dat schrijven over sport veel uitdagender voor me is dan schrijven over literatuur. Laat ik het zo zeggen: ook als journalist moet je jezelf telkens opnieuw uitvinden.’ Peters zwijgt even, kijkt me peilend aan en legt dan een hand op mijn hand. Hij blijft er tot het einde van het gesprek, een klein uitstapje daargelaten, liggen.

‘Luister, ik heb zo’n beetje alle grote literaire talenten in Nederland van de afgelopen dertig jaar ontdekt. Ik durf rustig te stellen dat er zonder mij in Nederland geen enkel groot vrouwelijk talent ontdekt zou zijn, maar je moet ook weten wanneer het tijd is om op te houden. Ik heb daar gelukkig een feilloos gevoel voor. Bovendien Willemijn, tijdgeest is het nieuwe zwart, wie zich nu nog alleen op jonge heteroseksuele witte – ken je de term cis? – schrijfsters richt loopt danig achter de feiten aan. Kijk, we weten allemaal dat ik de eerste was die echt aandacht besteedde aan Marieke én Lucas Rijneveld. Een tijd dat ik daarin gestoken heb! Je kunt namelijk niet, zoals veel van mijn concullega’s wel doen, zonder uitgebreide research een goed stuk schrijven over iets belangrijks als non-binair zijn. Ken je dat begrip, non-binair? Had je dat in Rome ook al? Was iemand als Caligula bijvoorbeeld non-binair? Of zeg, een Claudius? Nee, Claudius waarschijnlijk niet, anders had hij vast wel gezegd ‘They, Claudius’, hahaha, maar daar gaat het nu even niet om, waar het om gaat is dat ik de eerste literatuurcriticus was die serieus onderzoek deed naar het fenomeen non-binairiteit in de literatuur. Mijn diepgravende research werd echter wat verkeerd begrepen. Ik ben net als Bibeb hè, ik moet uren en uren met iemand doorbrengen om echt tot de kern van diens schrijverschap door te dringen. Neem nou voornoemde Marieke Lucas Rijneveld; hun – je moet hun zeggen hè – vind ik gewoon écht interessant. Ik had dat eerder ook bij Nowelle Barnhoorn, Marjolijn van Heemstra, Hagar Peeters, Karin Amatmoekrim, Daphne Huisden, Nina Polak, Niña Weijers, Hannah van Wieringen, Bregje Hofstede, Tjitske Jansen, Désanne van Brederode, Maria Barnas, Daan Borrel, Lize Spit, Sanneke van Hassel, Alma Mathijsen, Esther Gerritsen, Franca Treur, Renske de Greef, Ellen Deckwitz, Lieke Marsman, Marga Minco, Laura van der Haar, Marente de Moor, Anna Drijver, Daphne Huisden, Hanna Bervoets, Iduna Paalman, Sarah Meuleman, Shira Keller, Iris Koppe, Vrouwkje Tuinman, Emma Curvers, Roos van Rijswijk, Griet Op de Beeck, Rosita Steenbeek, Daphne Huisden, Renée én Eva Kelder, Hella Haasse, Solomonica de Winter, Olga Kortz en Yasmina Allas. Ik had het eigenlijk alleen niet bij Maartje Wortel. Die was boos hoor, toen ik haar niet mee uit lunchen vroeg. Uit pure nijd heeft ze geprobeerd alle nog ovulerende schrijfsters lesbisch te maken. Gelukkig heb ik daar een stokje voor weten te steken. Soms moet je je als man opofferen voor Het Hogere. Want de Nederlandse literatuur heeft er natuurlijk niks aan als al die schrijfsters de hele dag met elkaar liggen te vingeren, kom op, er moet geschreven worden, dames! De literatuur is in gevaar! Ontlezing dreigt! De alfastudies verdwijnen! Ik wil mezelf niet op de borst kloppen, maar zonder mij waren een Marjolijn van Heemstra of een Bregje Hofstede misschien ook wel lesbisch geworden. Ik heb ze met diplomatieke Facebookberichten en prikkelende sms’jes nog maar net aan de goede kant van de lijn weten te houden. En natuurlijk geef je ze dan ook af en toe even een balletje extra hè? Met drie ballen kom je er niet, zeg ik altijd maar. Toen Désan en ik nog bij elkaar waren moffelde ik er ook altijd een balletje bij. Niet dat dat geholpen heeft trouwens, maar goed, liefde maakt zelfs mij af en toe wel eens blind.’  

Peters pakt een spray uit zijn jaszak en spuit drie keer in zijn mond. ‘Sorry dat ik je even loslaat. Dit zijn orders van de tandarts. Ik wil natuurlijk niet dat jij straks opschrijft dat ik naar oude man ruik. Of smaak.’ Hij bergt de spray weer op en pakt voor de zoveelste keer zijn mobiel. Al zuchtend kijkt hij neer op het scherm. ‘Goed, kan dit even off the record? Wilma (de Rek-WvD) zit dus mapjes van me aan te leggen, dossiers heten dat geloof ik, al vind ik dat zelf een gewichtig woord voor de drie halve knipsels van Joost Zwagerman en de tweeregelige mails van een paar jonge schrijfsters die ze verzameld heeft. Ze doet verdorie net alsof ik de Nederlandse Jean-Claude Arnault ben! Dan had ik toch echt met iemand anders moeten trouwen dan met Schorpioen van Brederode, ha ha! Veel te jaloers. Luister, ik ben echt dolblij met mijn nieuwe korfbalcorrespondentschap, maar ik heb ook weer even een succesje nodig, Willemijn, ik moet laten zien dat ik het nog steeds in me heb, dat ik nog steeds een neus heb voor literaire vrouwen. En met Marieke Lucas Rijneveld, Daphne Huisden en Radna Fabias heb ik het non-binaire, gekleurde segment wel weer afgegraasd, dus ik dacht zelf aan ouderwets blond. Ik hou eigenlijk meer van exotisch, maar die zijn dus op. Of ze wonen in Colombia of Mexico. Of Honduras, maar daar is het oorlog. De Zuid-Amerikaanse literatuur, die vind ik toch zo prachtig. Valeria Luíselli. Liliana Colanzi. Mónica Odeja. Claudia Donoso. Asha Karami. Nisrine Mbarki. Fatena Al-Ghorra. Han Kang. Maar goed, waar waren we gebleven? O ja, bij jou. Het is nu dus tijd voor iets leuks van eigen bodem, liefst met een gezellige Unox-uitstraling, anders valt het ook weer zo op. Een soort Ina Boudier-Bakker. Heb je ooit een foto van haar gezien? Ik vind het wel treffend. Wij gaan jou groot maken Willemijn, wij gaan jou tot de Hera van de Hollandse Olympus verheffen! Ik weet dat ik in de Volkskrant heb geschreven dat je nogal eens in het romannetjesregister vervalt en nog niet genoeg dúrft en natuurlijk ben je geen Hilary Mantel, maar zo’n BNG Bank Literatuurprijsje krijg ik jouw kant wel opgeduwd hoor. Weijers krijgt dan wel een keer de Ida Gerhardtprijs of zo. Of een balletje erbij als ze ooit nog een nieuw boek afkrijgt. Wat denk je ervan? Zullen we hier onder het genot van een echt dinertje verder over praten? Heb je een 06? Dat is toch wel wat handiger dan die chatfunctie van Twitter. Slaap lekker alvast, straks.’

Willemijn van Dijk

Onlangs bezocht ik de tentoonstelling Juwelen! Schitteren aan het Russische hof in de Hermitage. Schitterend was het inderdaad. Als bezoeker word je direct verblind door een karrenvracht tiara’s, diademen, medaillons, parelsnoeren, en een erg grappige broche in de vorm van een kever. Was dit laatste sieraad in de tijd van de tsaren verkocht, dan had er in 1917 geen hongersnood in Sint-Petersburg plaats hoeven vinden. Gelukkig vermeldt de expositie niets over alle azijnzeikers buiten de paleizen – mensen met slechte smaak zijn immers van alle tijden. Toch heeft de curator wel oog gehad voor de zwarte bladzijden uit de Russische geschiedenis, en dan in het bijzonder voor die waarop de bolsjewieken als een soort modepolitie een eind aan het feest maakten. Het vuurpeloton wist makkelijk door de tsaar heen te boren, maar op zijn vier dochters, die hun korsetten voor de zekerheid hadden volgenaaid met diamanten, moest nog lange tijd worden ingehakt om de prijzige kogelwerende vesten te omzeilen. Wreed, zo vond ik, en waarschijnlijk onnodig om ook die meisjes af te slachten. Tot ik afgelopen week de DWDD-uitzending zag waarin Bart Chabot met zijn vier zoons was aangeschoven.

Sneeuwwitje en de vijf ergen.

Dat Bart Chabot bestaat en zichzelf ondanks een spraakgebrek overal aan de man weet te brengen, is een gegeven waar iedereen die daar niet op zit te wachten mee moet leren leven. De kans dat hij een zoon heeft die zo getalenteerd is dat hij al op zijn 24ste televisieprogramma’s moet maken, boeken moet schrijven en als tafelheer moet optreden, is niet zo groot. De kans dat Bart Chabot vier zoons heeft die met hun talent alle vier boeken moeten schrijven en met hun kop op tv moeten, is nul. Natuurlijk zou je iedere celeb met kinderen makkelijk van nepotisme kunnen beschuldigen, maar laten we wel wezen: Kim Jong-il benoemde ook niet ál zijn zoons tot Opperste Leider. Het is dus op zijn zachtst gezegd wel wat verdacht dat Bart op de avond van het Boekenbal met het hele gezin bij een talkshow zat.

De verklaring voor het bezoek van de dynastie luidde dat vader en twee zoons alle drie net een roman hadden gepubliceerd, en dat het boek van de derde zoon de week daarop zou verschijnen. ‘Drie zoons die debuteren,’ sprak Matthijs, die zijn rol als beschermheer weer met verve vervulde, plechtig, ‘het is toch wel heel bijzonder.’ Ja, héél bijzonder. De vierde zoon zat ook aan tafel, maar had nog geen plannen om een boek uit te brengen. Hij wilde net als zijn moeder, die de hele avond niets mocht zeggen maar toch aan tafel zat omdat zij het hele zooitje tenslotte gebaard had, de medische kant op. Mensen genezen, en zo. Dat leek iedereen in de studio vooral vervelend te vinden. Ze zeiden het niet, maar eigenlijk vonden ze hem gewoon een lul. Waarom kon hij niet ook debuteren? Waarom was dit verhaal niet nog spectaculairder? Vier boekenbroeders, hoe mooi zou dat zijn? Ik kan de mensen geruststellen: na zijn studie geneeskunde zal de vierde zoon binnen de kortste keren door uitgeverijen worden belaagd en de eerste hoogwaardige literaire doktersroman schrijven.

Tot die tijd zullen we het moeten stellen met vier schrijvers uit de Chabot-clan. Bart had nauwelijks een derde van het geweld dat zijn eigen vader tegen hem gebruikte op papier, of twee van zijn erfgenamen verkondigden al dat ook zij hun ouders een kaft in wilden sleuren. Het maakte niet uit dat zij in tegenstelling tot hun vader wel een normale, fijne jeugd hadden, sterker nog, dat was voor zijn meest flamboyante telg juist een heel belangrijk gegeven. Dat had deze zoon allemaal al een paar dagen daarvoor in hetzelfde praatprogramma mogen uitleggen, maar het belette hem er niet van in dit familie-item alles op alles te zetten om het hardst en het langst van iedereen te brullen. Als de dood dat zijn broers ook een BNN-programma zouden krijgen of in de laatste paar weken van het programma ook eens tafelheer mochten zijn, praatte hij net zo lang over zijn outfit tot hij zeker was dat er te weinig tijd over zou zijn om hem nog van de troon te stoten. Eén broer deed nog een wanhopige poging en vertelde snel over zijn cursus creative writing in New York. Daar had hij van docent Jonathan Safran Foer te horen gekregen dat er absoluut ‘meer mama’ in zijn verhaal moest. Chabot de zoveelste volgde het advies op, maakte nog één keer het lesgeld over en keerde met een kant-en-klaar manuscript terug naar Nederland. Hij blij, Jonathan blij en het grote lezerspubliek bestaande uit oudere vrouwen blij.

Als de uitzending één ding heeft duidelijk gemaakt, dan is het dat deze bloedlijn haar macht niet zomaar op zal geven. Allemaal willen ze net als hun vader overal onverstaanbare dingen ratelen en over zoveel jaar met hun eigen tak naar het Boekenbal; allemaal willen ze de Anastasia van het stel zijn. Gelukkig zit de jongste voorlopig nog vast in het anatomisch theater en heeft zijn tot dusver onbesproken zoon een non-fictie boek geschreven in tijden waarin werkelijk niemand nog op harde feiten zit te wachten. Blijven over de twee romanciers. Je hoeft maar één blik op de Bestseller 60 te werpen om te weten van wie we de komende vijftig jaar nog last gaan hebben: de maniak die het meest op zijn vader lijkt en minstens zo hard praat. Dat we ook zijn aanwezigheid niet hoeven te tolereren, weet iedereen die hem vorige week heeft zien opscheppen over de door zijn moeder gemaakte ringen. Geen van zijn accessoires zal hem uiteindelijk kunnen redden.

TS

In mijn jeugd ben ik slechts één keer misbruikt. Toegegeven, er waren ook de achtervolgingen van een man op een Solex als ik ’s morgens naar school reed op mijn fiets. Hij wist zich altijd vroeg of laat naast me te manoeuvreren als ik bijvoorbeeld voor een stoplicht stond te wachten. Dan probeerde hij een gesprek met me aan te knopen. Hij vroeg vaak hoe het met mijn broer ging. Het leek me verstandig om niet te zeggen dat ik geen broer had. Ik wilde mijn stalker niet te veel informatie toespelen. Ergens in mijn achterhoofd was ik bovendien bang dat hij niet alleen mij maar ook mijn broer zou gaan achtervolgen – maar die angst sloeg dus eigenlijk nergens op.

Zo zie je hoe snel je in een fantasiewereld belandt: op het ene moment heb je geen broer en op het volgende moment maak je je zorgen om hem. Iets is er niet en vervolgens is het er wel. Ik las V.S. Naipaul, die in een voorwoord bij een herdruk van zijn roman Een huis voor meneer Biswas schrijft: ‘Ik had geen talent. Ik was me er althans niet van bewust.’ Iets verderop: ‘Het talent zou later wel komen, dacht ik, als ik volwassen was. Zuiver vanwege mijn wens schrijver te worden, beschouwde ik mezelf als een schrijver.’ Ik vroeg me af of dit niet gewoon over Eus ging, ik bedoel Özcan Akyol. Maar dat kan natuurlijk niet. Naipaul schreef dit in maart 1983. Eus werd ruim een jaar later geboren. Hij bestond nog niet in 1983. Hij was nog geen echt mens.

Voor Akyol – dat is Eus – is het woord ‘echt’ belangrijk. Vandaar dat ik misschien zojuist ‘echt’ schreef voor ‘mens’. Je begeeft je op die manier wel op een glijdende schaal, realiseer ik me. Echte mensen, geen echte mensen… ‘Dat is niet alleen laakbaar, dat is bijna fascistisch,’ zou Eus waarschijnlijk opmerken, al had hij het deze keer over een boekhandelaar uit Veenendaal, de bekende bijna-fascist Albert van Kooten. Ik heb ook weleens kritiek op boekhandelaren; de bijna-fascisten heb ik echter tot nu toe genegeerd. Maar over de juiste tactiek om deze lui aan te pakken kun je inderdaad twisten.

Ik had het over het woord ‘echt’. Dat komt in Eus’ essay Een generaal zonder leger erg vaak voor, bijvoorbeeld hier: ‘Echte literatuur, heb ik geleerd, is proza waarin er verwijzingen worden gedaan naar Bijbelse, mythologische en historische figuren, dan ben je pas echt een intellectuele klasbak.’ Uit elk boek kun je wel een zin halen die niet zo goed is, bijzonder aan Een generaal zonder leger is dat er geen enkele zin in staat die ook maar een beetje goed is. Alle zinnen zijn helemaal slecht! Zojuist citeerde ik voor de tweede keer een zin eruit en weer zie ik dat er van alles mis gaat in die zin. Ik kan me bijvoorbeeld niet voorstellen dat Eus heeft geleerd dat wanneer we het over literatuur hebben we uitsluitend proza bedoelen, maar dat schrijft hij wel. (Persoonlijk ben ik geneigd bij literatuur eerder aan poëzie te denken, maar ik ben dan ook volkomen van de ratten besnuffeld.) En wat zijn ‘verwijzingen doen’? Zeggen ze dat op de universiteit? Of waar dan ook? Dat denk ik niet. Goed. Het gaat me bij deze zin vanzelfsprekend om dat ‘Echte literatuur’ en de opmerking dat je dan ‘pas echt een intellectuele klasbak’ bent. Eus is al met al geobsedeerd door het woord ‘echt’ Hij heeft er allerlei dwanggedachten bij. Terwijl (ja, ik berijd nu mijn stokpaardje, hoor): het aardige van literatuur míj nu juist lijkt dat de inhoud ervan niet echt is – en de wereld daarbuiten wel. Ja, soms sta ik er zelf ook versteld van, van wat ik allemaal weet. Voor Eus is het precies andersom. Hij weet niks. Nee, ik bedoel: voor hem is de inhoud van literatuur echt, en is het leven nep. Heeft hij het over een boek, dan heeft hij het prompt over een ‘hoofdkarakter’. Waarschijnlijk noemt hij de mensen in zijn straat ‘personages’.

Laat ik die zin waarin hij het over een hoofdkarakter heeft ook maar citeren: ‘De professor, een energieke man, type ongewenst levensredder, wilde met ons praten over het lammetje in mijn boek, een beest dat genadeloos voor de ogen van het hoofdkarakter werd afgeslacht, ondanks het feit dat zijn ouders op de hoogte waren van een wederzijds vriendschappelijke band.’ Ik wil niet beweren dat er enige minachting voor de lezer uit deze zin spreekt – daar houden Eus en ik niet van, het minachten van de lezer – maar op iets wordt er wel neergekeken, en dat is de Nederlandse taal. Ik schrijf dit op, en ik vind dit meteen zo’n pedante opmerking van me, of zoals Eus zou zeggen: het is ‘slechte recensistiek’. Daarom wil ik benadrukken dat dit geen recensie is. Dit is een verslag van die ene keer dat ik in mijn jeugd werd misbruikt. Die kwestie dreigt een beetje ondergesneeuwd te raken onder al het taaltumult van Özcan Akyol (over spreekwoorden en beeldspraak gaan de energieke professor en ik het een volgende keer hebben, samen met de bijna-fascistische boekhandelaar).

Kwam er een schrijver op de school van mijn dochter, dan hield ik haar thuis. Eus: ‘Ik weet nog dat ik een groep schrijvers moest trainen die in het kader van de “Boekenweek voor Jongeren” schoolbezoeken zou afleggen.’ Ik weet nog. Trainen. In het kader van. Schoolbezoeken afleggen. Maar ik laat me weer afleiden. Weten de mensen wel wat die schrijvers op scholen doen? Ja, achteraf zie je het aan zo’n schrijver, maar het gaat erom dat we nú ingrijpen. Op die manier kan veel leed worden voorkomen. Zoals Özcan Akyol schrijft: ‘Het welvaartsgeneuzel over de inrichting van het boekenvak heeft te lang geduurd.’ Hij heeft helemaal gelijk. Dat gekkenhuis moet volgestopt worden met al die schrijvers en dan moet de deur op slot. Ik wil ze niet meer op straat zien. En op onze scholen moeten ze zich al helemaal niet meer vertonen. Echt. Viezeriken.

AS

*Noot van de redactie: de titel van dit stuk stemt nog van voor het verlengen van de boekenweek. De redactie hoopt dat de in deze kop gedane belofte aan het eind van de maand alsnog wordt ingelost.

Archief