Ooit bestond er iets als schaamte. Tegenwoordig bestaat het nog steeds, maar is het iets wat besproken moet worden in plaats van verzwegen. Daarom schreef de zieke auteur Thomas Heerma van Voss een semi-autobiografische roman over een zieke auteur die een semi-autobiografische roman schrijft over een zieke auteur. Thomas schaamt zich niet voor dit gegeven, maar wel voor zijn darmziekte. Helaas schaamde hij zich net niet genoeg om weg te blijven bij NPO Radio 1, waar hij en zijn boek worden geïntroduceerd door presentatrice Mieke van der Weij. ‘In Condities leert Vincent Pek zich verhouden tot het leven, zijn verleden, en het samenwonen met zijn geliefde, wat wordt overschaduwd door een chronische darmziekte. Daarbij zijn onverwachte hevige buikpijn en dunne ontlasting nooit ver weg. Goedemorgen Thomas!’

Goedemorgen Thomas, vertel ons eens wat er de afgelopen tijd allemaal uit je pen en je anus is gekomen. Normaal gesproken zijn lezers gek op semi-autobiografische romans: aan het achterhalen welke passages wel en niet precies zo zijn gebeurd beleven ze meestal meer plezier dan aan het boek zelf. Dat het bij Condities niet zo werkt, heeft een simpele verklaring, die heel helder naar voren komt in de volgende korte dialoog tussen Mieke en Thomas. T: ‘Er hangt een enorm taboe rond darmziektes. Het gaat over poep, dat vinden mensen vies.’ M: ‘Het stinkt.’ T: ‘Precies, het stinkt.’ Daar zijn we het dan allemaal over eens. Als Daan merkt dat de aloude marketingtruc van het semi-autobiografische verhaal niet aanslaat, besluit hij zelf maar een tipje van de sluier te lichten. ‘Bij mij is de ziekte niet zo erg als bij mijn protagonist, hoor.’ Ja ja, dat zal wel. En wie moet dat gaan controleren? Wat in ieder geval zeker is, is dat Thomas net als zijn hoofdpersoon het schrijven even helemaal niet meer zag zitten. ‘Al jaren zwoegt Vincent Pek op een boek dat maar niet wil komen.’ Een typisch geval van obstipatie: hij perst en perst en het komt er maar niet uit.

Thomas’ writer’s block bleek te worden veroorzaakt door zijn chronische darm block. Wilde hij wel met zijn ziekte naar buiten treden? Was het niet gewoon beter om erover te zwijgen? Ook wist Daan helemaal niet zeker of hij als zoveelste jonge schrijver een semi-autobiografisch werk door de strot van het lezerspubliek wilde duwen. Hij zag zelf ook heus wel de achterlijkheid in dit plan. Toch hebben wij nog minder aan deze twijfels dan een crohnpatiënt aan een Rennie. Dat boek moest er blijkbaar uiteindelijk gewoon komen. ‘Waarom wilde je dit verhaal schrijven?’ vraagt Mieke hem. Dit is de enige vraag die ertoe doet: wáárom? Thomas geeft twee redenen. Eén: hij heeft zelf al jaren last van deze kwaal. Dat is natuurlijk hartstikke jammer voor hem, maar nog geen reden om anderen ermee lastig te vallen. Twee: het leek hem interessant om een boek te schrijven over een hoofdpersoon die zich dag in dag uit moet verhouden tot een relatief lullig mankement. Helaas heeft Hanna Bervoets dit boek al geschreven, maar dan zonder drollen en diarree. Het is vorig jaar verschenen en heet Welkom in het rijk der zieken. Of Daan was hier niet van op de hoogte, of hij moest blijkbaar per se zijn eigen kolonie voor darmpatiënten stichten.

Zelf beweert Thomas dat hij geïntrigeerd was door het ongemakkelijke van zijn ziekte en de onmogelijkheid om met familie en vrienden over je uitwerpselen te praten. Kortom: stront is het unique selling point van zijn boek. Nu kunnen we wel doen alsof het nobel is dat Daan ondanks al het ongemak gewoon een roman over zijn darmklachten schrijft, maar wat leren wij ervan? Dat mensen poep een ingewikkeld gespreksonderwerp vinden? Dat het stinkt? Dat had Mieke van der Weij je ook zo wel kunnen vertellen! Toch is Daan ervan overtuigd dat hij iets unieks in handen heeft. ‘Deze darmziekte is natuurlijk heel nutteloos. Het is niet zo dat je door tien jaar buikpijn te hebben uiteindelijk een beloning krijgt of dat er een gouden berg aan het eind wacht. Er is ook geen oplossing. Voor heel veel ziektes geldt: erop of eronder, maar dit blijft altijd.’ Zie hier Thomas’ tragiek: je hele leven moeten lijden aan een ziekte waar je niet eens dood aan gaat. Had hij maar gewoon kanker, of iets anders waar je je werk en sociale leven voor op moet geven om aan het eind van de rit een pot goud of vergulde kist te ontvangen.

Thomas’ gebrek aan realiteitszin is nog vele malen gênanter dan welk poepverhaal dan ook. Dat blijkt ook weer als Mieke en haar co-presentator Peter de Bie aan het eind van het interview toch nog iets vinden waarvan ze wel willen weten of het nou allemaal echt waar is. ‘Die scènes met die uitgever, daar heb ik echt van genoten, die wandelende marketingmachine met louter ronkende teksten.’ Blijkbaar zijn Mieke en Peter nog niet op de hoogte van Thomas’ overstap naar Das Mag, anders hadden ze niet hoeven vragen of die uitgever in het echt ook zo’n opportunistische klootzak is. Thomas moet even zenuwachtig lachen en antwoordt dan dat hij het in eerste instantie wel wat onbeschoft vond toen zijn nieuwe redacteur over zijn ziekte zei dat daar sowieso ‘een verhaal in zit’. ‘Maar een jaar later dacht ik: die ziekte is er nou eenmaal, dan kan ik hem net zo goed gebruiken voor mijn werk.’ Daan, ga je schamen.

TS

Thomas Heerma van Voss, Condities. Das Mag, €24,99.

Als witte man heb ik een ontzettend zwaar leven. Vrouwen verwachten dat ik over een bijna onuitputtelijke hoeveelheid kennis beschik, maar ze worden boos als ik iets van mijn wijsheid met ze deel. Ook word ik door vrouwen vaak geobjectificeerd; zo werd ik afgelopen zomer – het was zeer warm – nagefloten toen ik in mijn speedo in het Wertheimpark Een Circusjongen van Reve lag te lezen. En alsof dat nog niet genoeg was, hoorde ik vorige week van een vriend dat ik, in de koffiepauze van een kunstgeschiedeniscollege door een groepje vrouwen, werd vergeleken met de David van Michelangelo, maar dan met sexappeal.

Laat ik er niet omheen draaien: ik snap niks van vrouwen, ik wil niks van vrouwen, ik val niet op vrouwen. Na mijn negen maanden durende snuffelstage in de baarmoeder van mijn moeder heb ik besloten om de rest van mijn leven zo ver mogelijk uit de buurt van iedere vulva te blijven. Noem me een reetridder, anusarcheoloog, kringspierkolonel, ik vind het allemaal prima, zolang ik maar niet iedere maand met een gevulde mooncup in mijn hand hoef te proosten op het wonder der vrouwelijkheid.

De laatste tijd kreeg ik toch het verlangen om meer te leren over de vrouw. Niet op een seksuele manier – ik heb de stellige overtuiging dat geen vrouw zo goed kan pijpen als een man (waarschijnlijk is dit ook een vorm van mansplaining) – maar juist over het biologische bestaan. Wat gebeurt er in zo’n baarmoeder? Wat zorgt ervoor dat vrouwen praten over hun emoties en hun menstruatiecycli, terwijl mannen enkel bij een potje crackertrekken hun ware seksuele inborst durven te tonen?

Gelukkig waren Athenaeum en De Revisor zo vriendelijk om voor mij een instapmodel vrouw te regelen. Daan Borrel, sterke vrouw, spontaan en absoluut niet beschaamd om de meest bloederige details van haar venusheuvel met mij te delen. Een avondje met haar zou mij inwijden in alle rituelen die onderdeel zijn van behoren tot het vruchtbaarste geslacht. Op dinsdagavond klopte ik op de deur van de boekhandel. Een vrouw liep vanachter de balie naar de deur om deze open te maken. ‘Kom je voor de lezing? Loop dan maar door.’ Ik kreeg het gevoel dat ik een heksensabbat betrad. Om me voor te bereiden op deze avond had ik door de Malleus Maleficarum heen gebladerd; ik wist nu dat dikke vrouwen niet konden vliegen en dat zaad van mannen een essentieel onderdeel is van vruchtbaarheidstoverdranken.

Eenmaal op mijn plek op een van de stoelen in de zaal, keek ik rond en zag dat mannen ver in de minderheid waren. Er waren meer potten dan in een groenteconservenfabriek en er zaten enkele vrouwen in het publiek voor wie ongesteldheid een verlangen vormde naar een tijd waarin ze – in de natuurlijke cycli der dingen – nog wel een rol hadden. De mannen die er waren hielden ook van piemels; mijn gaydar sloeg aan als een geigerteller bij Tsjernobyl. Ik zag ook die rode vamp van de boekhandel zitten, ik lachte naar hem maar hij was te druk bezig met zichzelf bijschenken met witte wijn om mij te zien. Jammer, want op Grindr kan hij zijn promiscuïteit – in de vorm van uitvergrote dickpics – jegens mij met moeite onderdrukken.

De ster van de avond nam haar plek in. ‘Is dat Borrel?’, schoot er door mijn hoofd. Daar zat niet zomaar een vrouw; op de stoel resideerde een bulldozer die iedere uiting van fragiele mannelijkheid plat zou walsen. Ik pakte mijn aantekenblok uit mijn tas om alle wijsheid die deze muze zou verkondigen als een tampon op te kunnen zuigen.

Na afloop van het praatje was ik best tevreden. Zo leerde ik dat billen een uitingsplaats zijn van emoties. Nee, het gaat niet over winden of scheten; billen (ja, billen) zwellen op bij emoties. En ik kwam erachter dat het stralende middelpunt van Borrels heelal haar eigen hemellichaam is. ‘Ik wil andermans werk niet lezen als dat over een menstruatiecyclus gaat’, heb ik geciteerd. Ik had altijd al het vermoeden dat vrouwen niet solidair zijn – ze kennen immers geen broederschap – maar deze opmerking gaf wel de indruk dat teveel vrouwen in een ruimte gemakkelijk in een bloedbad kan ontaarden. De belangrijkste les van Borrel was dat vrouwen gestaag de wereld overnemen. ‘In het Westen worden vrouwen massaal in slaap gehouden door de pil. Er komt bevrijding aan, we gaan weer één worden met de natuur.’

Met een blik bier in mijn hand liep ik na afloop door de boekwinkel. Borrel kwam naar me toen en drukte haar boek in mijn hand. ‘Mijn nummer staat voorin. Jij mag de openingszet doen, maar daarna zet ik je schaakmat.’ Ik voelde me als een hertje in het nauw gedreven. Borrel had een extra knoopje van haar broekpak opengemaakt en liet duidelijk merken dat als zij haar oog op iets of iemand had laten vallen, zij dat ook zou krijgen. ‘Ik val op mannen, dus ik denk niet dat het iets wordt.’ Ze kijkt me ongelovig aan. ‘Dat is een fase, daar kom je wel overheen.’ Misschien heeft ze wel gelijk en staan vrouwen dichter bij de natuur. En wat kan een man daarover weten? Ik houd van kunst en kitsch, ik ben een cultuurmens.

TD

Daan Borrel, Jaar van het nieuwe verhaal. De Bezige Bij, € 21,99.

U zult, in dit blad of elders, vast wel eens geringschattende opmerkingen zijn tegengekomen over het weblog − het ‘digitale literaire tijdschrift’, als u Co Woudsma zou volgen, maar laten we dat maar niet doen − Tzum. Toch heeft die website best een rol te vervullen. Hoewel alles wat AS over collega’s schrijft waar is, is de volledig aan roddel gewijde rubriek die MM ooit in PC op wilde zetten vooralsnog niet van de grond gekomen. Webmaster Coen Peppelenbos en z’n rakkers duiken nu en dan in de ruimte die wij daarmee laten liggen. Meestal slechts als verzamelaars van informatie die elders al verkrijgbaar is, maar chroniqueur is ook een eerbaar beroep. Toch lijken ze bij Tzum nog niet volledig van hun lotsbestemming op de hoogte. Vaak krijgt de bij elkaar gesprokkelde achterklap geen lucht door de benauwende drukte van zelfs in hun 80 woorden al ruimte verspillende columns, door lelijke schrijversportretten, of doordat Coen het nodig vindt te voorspellen dat PC 2020 niet haalt. (Kiekeboe, Peppelenbos, we zijn er nog.) Onverwacht hoogtepunt in deze roddelverstikkende rommel zijn de sublieme kalverrecensies van Erik-Jan Hummels.

Een van de meest gehoorde kritieken op van inzicht verstoken literatuurbesprekingen is dat ze lezen als het boekverslag van een middelbare scholier. Meestal wordt daarmee bedoeld dat een recensent in zijn bespreking kort het plot van een boek opsomt, iets zegt over de houding van een of twee personages, en daarna met wat weinig specifieke kwalificaties een oordeel geeft. Erik-Jan Hummels beheerst het genre, waarschijnlijk dankzij zijn werkzaamheden als docent, op een veel vollediger en diepzinniger manier. Hummels schrijft niet als scholier omdat hij niet anders kan; hij heeft het boekverslag tot een kunstvorm verheven en schrijft havistenproza zoals geen havist het zou kunnen schrijven. Erik-Jan Hummels zou schrijfcursussen moeten geven aan pedofielen die zich online als onzekere tieners voor willen doen.

Dat hij niks nuttigs te melden heeft – de voornaamste inhoudelijke eis die aan het boekverslag als genre wordt gesteld – laat Hummels merken in iedere tekst die hij schrijft. Zo noteert hij, over een man die ‘wel kan janken’ als hij van de oogarts over zijn defecte traanbuizen hoort in Tex de Wits Ik heb een slimme droger, dat ‘het natuurlijk best grappig is dat het figuurlijke “Daar kan ik wel om janken” door de laatste zin letterlijk wordt begrepen’. Stilistisch onderscheidt Hummels zich vooral door overal waar dat mogelijk is te kiezen voor verkeerde voegwoorden. Ter illustratie de conclusie van hetzelfde stuk over Tex de Wit: ‘Ook thematisch zijn de verhaaltjes bij elkaar gezet, zodat dit boek je een paar uurtjes kan laten glimlachen.’ Oefenen thematische indelingen op de een of andere manier een sterke invloed uit op Hummels’ leestempo? Had hij deze bundel beduidend sneller of trager uitgelezen als de verhalen op alfabetische volgorde van hun titel hadden gestaan? Heeft Erik-Jan Hummels Ik heb een slimme droger überhaupt niet gelezen, maar wel twee uur zitten grijnzen omdat hij de inhoudsopgave zo guitig vond?

Afgelopen december bleek al deze onbenulligheid slechts een opwarmoefening voor Hummels’ recensie van Sylvia Plaths De glazen stolp. De inhoud van dat stuk kan kort worden samengevat: Erik-Jan Hummels begrijpt Sylvia Plath niet. De vorm kan alleen als een artistieke keuze worden besproken. Hummels sproeit als aanwijzingen voor zijn redeneertrant bedoelde voegwoorden als ‘echter’ en ‘vervolgens’ op volslagen onnodige plekken door zijn tekst als een sprinkler in een lek scheepsruim. Minder gul, maar des te exacter in achterlijkheid is het gebruik van de eerste persoon enkelvoud, precies op de plekken waar een volwassen recensent hem juist níet zou gebruiken. Als voorbeeld van Hummels bijzonder precieze puberstupiditeit is vooral de volgende zin uit zijn recensie van De glazen stolp onovertroffen. Omdat ik eerlijk gezegd ook weer niet wil hebben dat u bij het diagonaal lezen van deze tekst zou kunnen denken dat ik hem heb geschreven gaat hij in quarantaine tussen twee witregels:

‘Ze gaat praten met psychologen en krijgt van psychiaters elektroshocks, vooral die shocks krijg je als lezer goed mee.’

Zoals u ondertussen wel verwachtte geeft Erik-Jan bij dit statement geen enkele onderbouwing of uitleg. Waarom krijgt de lezer die elektroshocks ‘goed mee’? Zijn ze naturalistisch tot in detail beschreven? Gebruikt Plath overtuigende metaforen om een onbekende sensatie herkenbaar te maken? Zit er een buzzer in het boek die bij het omslaan van elke bladzijde waarop zo’n stroomstoot voorkomt direct 230 Volt door je lichaam jaagt?

Ook in deze zin is het echter niet de inhoud, maar de puberale stijl die met een weergaloze subtiliteit de hele alinea naar clearasil en energiedrank doet ruiken. Die komma. Hij klopt precies. Iedere andere manier om deze zin op te schrijven had volwassener geklonken; professioneler. Er had een punt kunnen staan. Erik-Jan had ‘en’ achter de komma kunnen schrijven. Hij koos voor de enige optie die hem niet vijftienjariger kon doen lijken.

Het is 2020, en Coen Peppelenbos kan voorspellen wat hij wil, Propria Cures is er nog. Wel, dat geef ik toe, zonder behoorlijk de laatste roddels voor u bij te houden. Om te lezen wat Johan Fretz zoal zegt over Angela de Jong kunt u beter bij Tzum zijn dan bij ons. Als u geïnteresseerd bent in zwaar gestileerde recensies, ogenschijnlijk geschreven door scholieren die hun eerste onzekere stappen zetten in het literaire veld, ook.

BN

Toch wel jammer. Elke zondagavond, als we met het bekende bord op schoot om zeven uur de tv aanzetten, en er na de belangrijke wedstrijden ook een samenvatting van Sparta tegen…. vul maar in werd aangekondigd, zei ik tegen mijn vriendin: ‘de regie zal toch niet vergeten Jules Deelder even in beeld te brengen?’ En ja hoor, daar verscheen hij, sikkeneurig kijkend op de tribune, altijd een karikatuur van zichzelf uitbeeldend.

Jules Deelder heeft in zijn leven één keer een goede beslissing genomen, en die was: in Rotterdam blijven wonen. Ware hij, zoals de meesten die er toe doen in de letteren, naar Amsterdam verhuisd, dan was hem hooguit een plekje aan de zijkant van de bar van café De Zwart gegund, op zaterdagmiddag en hadden we wat om hem gegniffeld, die malle cabaretier die denkt dat hij ook een dichter is, en hem verder beleefd genegeerd. Maar Rotterdam kan, sinds de dood van Bob den Uyl, nauwelijks bogen op een literaire scene van formaat, dus was het verstandig van Jules om daar maar te blijven want bij gebrek aan concurrentie werd hij er een vedette, een nachtburgemeester, een man die een legende leek te heten al tijdens zijn leven. Een troeteljunk om wie je kon lachen, behalve als hij eens erg vervelend begon worden.

Want Jules Deelder was, behalve een zeer overschatte dichter, ook een erg vervelend mens. Toen de Bijenkorf in de jaren 70 en 80 nog geen koopgoot voor Russen en Chinezen was maar een beschaafde supermarkt, organiseerden ze elk jaar rond de Boekenweek een Boekenmarkt waar schrijvers in een stalletje hun eigen waar mochten aanprijzen. Veel drank, veel aanloop, en prima eten na afloop. Om alfabetische redenen stonden Jules en ik in de Amsterdamse Bijenkorf dikwijls naast elkaar op die markt. De plaatsvervangende gêne die ik ervoer over hoe hij potentiële kopers van zijn bundels beledigde, afkatte en in de zeik nam kan ik nog steeds navoelen. Van de weeromstuit merkte ik dat ik zelf extra wellevend begon te doen; we stonden daar toch godverdomme om onze waar aan te prijzen aan belangstellende lezers?

Maar nu is hij dood, en Rotterdam eerde hem met een condoleanceregister, meerdere erediensten, het erelidmaatschap van Sparta en nog zo wat eretitels. Ze moesten wel, want veel andere bijdragen aan onze nationale cultuur hebben ze sinds Coen Moulijn en Lee Towers niet gehad. Maar leg dat maar eens uit aan die aardige organisatoren van een literair festival, ergens in het begin van deze eeuw, op ons overzeese gebiedsdeel Sint
Maarten. Zwaar gesubsidieerd werden de schrijvers ingevlogen om onze Nederlandse cultuur uit te dragen. Vlucht, hotel, honorarium, misschien zelfs een discrete dealer: alles werd betaald. Jules Deelders inbreng bestond uit een kwartiertje wat meeschuifelen op een trommeltje bij een jazz-orkestje, en daarna tien minuten wat voortbrabbelen uit eigen werk. Toen een van de organisatoren hem vervolgens aansprak en hem op zijn contractuele verplichtingen wees, sprak Jules Deelder de voor hem typerende woorden waar menig adept, postuum, alsnog vast bij zal wegsmelten: ‘Krijg toch de grafkanker man.’

Jan Donkers

Max Tailleur wist het al: wie niet huilen wil moet maar lachen. Ook als in uw onderbewustzijn ondertussen wordt gemultitaskt hoeft de rest van de wereld dan in ieder geval niet tegen uw doorgelopen mascara en overwerkte traanbuizen aan te kijken. In de Verenigde Staten heeft deze vorm van symptoombestrijding sinds de presidentsverkiezingen van 2016 een heropleving beleefd. Ook Dave Eggers besloot zich, in het onlangs in Nederlandse vertaling uitgekomen De kapitein en de Glory, aan de behandelwijze te wagen. Zijn poging tot lolligheidstherapie zet vooral aan tot janken.

Dave Eggers is al langer schrijver van de afgebakende maatschappijkritiek die semi-geëngageerde kinderboekenverdedigers graag lezen. De cirkel ging over computers, het dit jaar uitgekomen De parade over autoritarisme. Voor wie dat allemaal nog niet duidelijk genoeg was schreef Eggers met De kapitein en de Glory een persiflage op satire. Eerst pakte hij er een stapel nieuwsberichten van de afgelopen drie jaar bij; vervolgens begon hij te broeden op een allegorisch decor om die knipselmap in na te vertellen. Een dorp, bedrijf of woongroep zou niet genoeg metaforische mogelijkheden opleveren, een boerderij zou in een plagiaatzaak tegen de erven Orwell geen stand houden, en dus kwam Eggers – Colijn, Mao, en Verdonk gingen hem voor – op het idee de natiestaat weer te geven als schip. Het resultaat had beter een matige spotprent kunnen zijn dan een boek. Eggers’ De kapitein en de Glory kost een tientje, en heeft minder inhoud dan een boekenbon die hetzelfde bedrag vertegenwoordigt.

Kapitein Eggers in strijd met zijn innerlijke bierkaai.

Waarom Eggers dacht zijn maatschappijleerpresentatie als allegorie op te moeten tuigen wordt nergens duidelijk. Hier en daar zet Eggers zijn verhaal wat aan en wordt eens een stumper overboord gesodemieterd, maar op een inzicht dat niet uit het achtuurjournaal is te vissen lijkt de auteur ook in die overdrijving niet te betrappen. De kapitein en de Glory biedt geen enkele zinnige duiding aan iemand die de Amerikaanse politiek de afgelopen drie jaar niet heeft gevolgd. Voor wie dat wel heeft gedaan is het boek een potje memorie zonder tegenstander.

Achter Eggers’ ogenschijnlijke inhoudsloosheid gaan natuurlijk wel overtuigingen schuil. De verkozen kapitein is ongeschikt omdat hij niet genoeg weet van scheepvaart (lees: politiek is een kwestie van de juiste zeilen bijzetten op het juiste moment en overtuigingen zijn daarbij maar onhandig), Poetin speelt een rol als enterende piraat (lees: reflectie op het Amerikaanse politieke systeem is niet nodig want alles is de schuld van de grote boze Rus), en het meest schadelijke gevolg van de geschetste institutionele muiterij is een verlies van de waardigheid die schip en eerdere kapiteins bezaten (lees: het maakt niet uit hoeveel oorlogsmisdaden een Amerikaanse president begaat: als zijn haar maar goed zit).

Dergelijke ideologiekritiek weet een beetje student Cultural Analysis ook uit de Allerhande te peuren. Denkt u dus vooral niet dat er iets in De kapitein en de Glory te vinden is dat u nergens anders vandaan kan halen. Eggers zelf vindt dat hij, dankzij het dunne laagje matrozenproza dat zijn boek van de werkelijkheid scheidt, een nautische parabel voor de eeuwigheid heeft geschreven. Wie een lange zeereis voor de boeg heeft kan echter beter niet De kapitein en de Glory meenemen: het boek verziekt vanwege zijn beperkte houdbaarheid al binnen een week de lucht in het kombuis en leidt bij inname slechts tot intellectuele scheurbuik.

Dave Eggers’ De kapitein en de Glory is tegelijkertijd compleet verstoken van subtiliteit en volstrekt tandeloos, even banaal als schijnheilig; stompzinnig als betweterig; kinderachtig als pompeus. Eggers weet het slechtste van twee uitersten te verenigen en zowel ongeïnspireerd de werkelijkheid over te schrijven als hysterisch uit diezelfde werkelijkheid te vluchten in een metaforisch kutsprookje. In interviews benadrukt Eggers – ondanks de eeuwigheidswaarde die hij aan zijn eigen boek toekent – graag dat schepen vanzelf hun koers wel weer herstellen. Als meer van dit soort zaadloze zeemansverhalen daarmee kunnen worden voorkomen is slechts te hopen dat het schip samen met zijn kapitein vergaat.

BN

Dave Eggers, De kapitein en de Glory. Lebowski, € 9,99

Archief