D66 is de familie Van Oranje onder de politieke partijen. Ga maar na: ze hebben allebei kroonjuwelen om hun positie in de Hofstad te behouden, houden het land bijeen en doen alsof ze luisteren naar de mening van Henk en Ingrid, maar lachen ze daarna achter hun rug om uit. Samen zijn ze de maïzena van het huis van Thorbecke. Van zolderkamercommunisten tot PVV-pooiers, van Jan Roos tot Thijs Kleinpaste, van Esther Voet tot Abdelkader Benali, de partij van Van Mierlo weet een burgeroorlog in Nederland
te voorkomen door alle nijd naar zichzelf toe te trekken. Ze pacificeert de polder door als sadomasochist in een worstenbroodjekostuum voor de Jumbo te patrouilleren, tegenover elke verwijt van racisme te benadrukken dat kolonialisme mensen ook kansen heeft opgeleverd en Zoomers aan te spreken op de gebrekkige Wifi in de McDonald’s waarvandaan ze hun colleges proberen te volgen. Maar de belangrijkste overeenkomst tussen D66 en de Koninklijke familie is hun opvallend declaratiepatroon.

Dit keer hoefden we niet Jan Dijkgraaf op pad te sturen om de vuilniszakken van de Excellenties te bemachtigen. Na een knipoog naar de blonde secretaresse op het partijkantoor aan de Lange Houtstraat gingen de klappers open, Rob Jetten was na drie Chablis en een nudie van meeloper III bereid om al zijn collega’s te verraden en voor het diepere speurwerk ben ik onze betalende lezers zeer dankbaar, omdat zij mogelijk maakten dat ik op de Haagse Waldorpstraat, met bundeltjes flappen in mijn achterzak, de
duisterste facturen buit kon maken. Op de oude tippelzone leerde ik twee levenswijsheden: alles is te koop, en politici en sekswerkers naaien je altijd. En natuurlijk kan het helpen als in enkele Haagse torens oude studievrinden werken. Maar ik heb beloofd om daar niets over zeggen. Bij dezen.

Goed, bij wie te beginnen? Menno Snel, de prins Friso van de bewindslieden. Door een lawine bedolven en daardoor te vroeg heengegaan zelf een crisis te creëren. De oud-staatssecretaris van Financiën had waarschijnlijk nooit kopjes koffie op het vliegveld gedeclareerd, noch de jaarlijkse inleg bij zijn hockey- of tennisclub, de bijlesklasjes van zijn kinderen, hotelovernachtingen waar hij zijn minnaressen alle hoeken van het bed liet zien, de föhn die in Brussel vergeten was. Hij declareerde geen rooie cent. En waarom? Menno Snel was integer. Bewaakte de schatkist. Hij zag erop toe dat alle belasting die wij in de kroeg bij elkaar zopen goed terecht kwam, was de ultieme loyale dienaar van de Staat. Sinds Hugo Brandt Corstius Onno Ruding voor Eichmann uitmaakte getuigt het niet meer van authenticiteit om een regent de lijfspreuk Meine Ehre heißt Treu toe te schrijven. Maar voor Snel, die leiding gaf aan de Belastingdienst, maak ik graag een uitzondering. Hij gaf loyaal leiding aan een dodelijk efficiënt systeem en in zijn puriteinse visie was er geen ruimte voor onnodige luxe of levensgenot. Ook niet voor nodigheden, genot of leven. Maar dat terzijde.

Voor de Koninklijke familie zijn haar paleizen rustoorden waar vanuit ze de alledaagse drukte van vakantieplanningen, Nibud-trainingen en feestjes met andere aristocraten die de valbijl hebben vermeden, achter zich kunnen laten. En het favoriete optrekje van Willem is Paleis het Loo, het vorstelijk voorkomen dat wordt omringd door een Veluws natuurgebied waar hij gesubsidieerd zwijntjes afknalt. De bewindslieden van D66 hoeven de Haagse kaasstolp niet uit om hun sociëteit, waar ze zich laten fêteren door collega- politici, lobbyisten en journalisten, te bezoeken. Zij hebben daarvoor Nieuwspoort, de politieke huiskamer aan de Lange Poten. In een roemrucht verleden de doorzakplek na de nacht van Schmelzer, tegenwoordig een grand café met de ambiance van een uitvaartcentrum en de inrichting van een Van der Valk. De klandizie bestaat voornamelijk uit doden bij wie de zwiep van de zeis van magere Hein nog niet is doorgedrongen. Jos Heijmans krijgt aan de toog het gevoel dat hij nog leeft en Ton Elias kluift op voorspraak
van pluimveelobbyist Henny de Haan kippetjes met Kamerleden. Maar blijkbaar vertoeven enkele D66’ers er ook nog graag. Waar gewone stervelingen, studenten zoals u en ik, enkel onze pik kunnen aftrekken, hebben de leden van de kleurlooste partij van Nederland er geen moeite mee om de contributie van hun Haagse honk naar ons door te schuiven. Ingrid van Engelshoven, Wouter Koolmees, Kajsa Ollongren, Stientje van Veldhoven (wees gerust, u bent niet de enige die haar niet kent, verderop wordt ze geïntroduceerd), Alexandra van Huffelen (de enige heks die de tram verkiest boven de bezemsteel): de neus hebben ze over de jaren 2018-2020 € 934,12 lidmaatschapsgeld gedeclareerd. Met dit jaar erbij komt de som uit op €1272,92. Een kleine 300 piek per jaar. Dat dit prima uit het ministersalaris van € 170.910 betaald kan worden, gaat er bij deze excellenties niet in.

Nu kunt u denken: drie meier, waar zeik je over? U snuift dit iedere vrijdag in De Groene Vlinder op en stuurt de rekening naar uw kantoor: Allen & Overy, KPMG, Pels Rijcken, noem maar op. Het is onderdeel van uw tertiaire arbeidsvoorwaarden. Als student beschouw ik boeken als primaire behoefte voor mijn baan, maar die rekening kan ik niet naar DUO sturen. Daar komt bij dat als u voor de derde maal statistiek moet volgen en dat vak enkel in april en mei wordt aangeboden, u voor het gehele jaar collegegeld moet betalen. Dit soort bureaucratische regels gelden niet voor bovengenoemde bestuurders, wier kans om na de verkiezingen opnieuw tot het kabinet toe te treden even groot is als dat Geert Wilders de Sacharovprijs krijgt voor zijn inzet voor universele mensenrechten.
D66, de partij die preekt over principes als gelijkheid en gelijke kansen, laat zien dat iedereen in gelijke mate de kans heeft om kosten te declareren. Het scheelt wel als je je eigen bonnetjes kan goedkeuren.

Dat politici weten dat dit soort declaraties vooral voorkomen in een bananenrepubliek zien we ook doordat velen het niet doen. Sint-Snel, bijvoorbeeld, betaalde de toelage uit eigen zak, of was geen lid: in de nabijheid van mensen verkeren was niet zijn sterkste punt. Maar ook kleptocratie-expert Sigrid Kaag voelde er niets voor om haar contributie aan de soos uit de staatskas te trekken. Waarom? Geen idee. Principes kunnen het in ieder geval niet zijn geweest. Maar daarover later meer, het zoetst komt als laatst.

De belichaming van de stuivergraaimentaliteit in het Oranjehuis was natuurlijk prinses Christina. Tenminste, voordat ze gecremeerd werd. Tijdens haar leven bevrijdde ze zich zo snel mogelijk van iedere verplichting die hoort bij uit de kut van koningin kruipen, maar stond wel met haar bedelnap vooraan toen de mogelijkheid zich voordeed om via Noordeinde de fiscus te ontduiken. Verkankerd in ziel en lichaam besloot ze in terminale toestand nog een zeldzame Rubens te verkopen; die prenten zijn immer moeilijk ongezien over te dragen als een belastinginspecteur met zijn neus erbovenop staat. Stientje van Veldhoven is de Christina van het kabinet. Waar ze vandaan komt weet niemand, opeens was ze er gewoon. Blijkbaar had ze haar Kamercorvee succesvol afgerond en dus recht op promotie. Als staatssecretaris én minister van Milieu was zij onder andere verantwoordelijk voor fietsbeleid, circulaire economie en de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming. Een door kernenergie aangedreven OV-fiets? En ik dacht dat Elon Musk soms overambitieus was met zijn transportrevolutie. Maar de bonnetjes, daar waren we. Stientje biedt waarschijnlijk haar AH-pannenzegels voor € 0,50 per stuk aan op Marktplaats en springt voor een aankomende trein als ze tussen de rails iets ziet glinsteren. Geen idee of het waar is, maar het zou me niets verbazen. Waar ik dit op baseer? Op het bonnetje waarop staat dat ze € 5,56 heeft uitgegeven bij de hippe koffiezaak Planeta Smaku in Katowice, Polen. Tijdens de Klimaattop in 2018 was Van Veldhoven vooral in de weer met brownies, worteltaart en macarons. Of de polen smelten maakte haar niet uit, zolang haar plak cake in de gesmolten chocolade werd gedompeld.

Als dit een enkele valse noot in haar gierigheidscredo was geweest dan zou er niet veel aan de hand zijn. Maar iedere keer dat Stientje op het wereldtoneel mag verschijnen, doet ze haar best om te voldoen aan de karikatuur van de Nederlandse krent. In New York bij de Verenigde Naties in 2018, waar ze eindelijk met de grote mensen mocht voetballen, heeft ze ook in de bedrijfskantine geluncht. Met een bruin plastic dienblad in haar handen stond ze in de rij voor de kassa. Vlak voor ze aan de buurt was stond ze voor de koelkast, waarbij haar hand twijfelend tussen de beker yoghurtdrink en eenpersoonspak melk heen en weer ging. Uiteindelijk werd het koffie, een pistoletje met zweetkaas en appelsap. Kosten? € 11,75. Greep ze met haar grijpgrage handen uit de staatskas. Helsinki 2019? € 11,30 voor koffie in café Finlandia. Beuzelaar Van Veldhoven laat haar persoonlijke assistent ordners met paperassen aanleggen om het futielste bedrag te kunnen declareren.

Stientjes motto is: wie het kleine niet declareert, is het grote niet weert. En wie een groeiende moedervlek laat zitten, moet niet vreemd opkijken als hij straks terminaal is. Dus toen alle staatssecretarissen op Prinsjesdag 2020 niet fysiek aanwezig konden zijn bij de Troonrede, mochten de reservespelers van het kabinet een dag bij haar op bezoek. ‘Van Veldhoven heeft haar collega’s uitgenodigd bij het Museum Bescherming bevolking/ Bunkercomplex Overvoorde in Rijswijk voor een rondleiding. Samen gaan de bewindslieden daar lunchen en de troonrede kijken,’ stond in Algemeen Dagblad. Een dagje weg met collega’s, niet omdat het moet, maar omdat het leuk is. En wie mocht de rekening van € 438,- betalen? Exact. Dus terwijl de eigenaar van lokale kroeg tijdens de Troontrede te horen kreeg dat hij meer vet op de botten had moeten hebben, blijft Van Veldhoven dezelfde uitbater uitmelken. Had hij maar een ander beroep moeten uitkiezen;
politicus of zo.

Sinds het verscheiden van Bernhard is de rol van bad boy bij de Oranjes vacant. In de Trêveszaal wordt deze positie met verve vervuld door Ingrid van Engelshoven, overdag bekend als minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, maar ’s nachts, als de grootste verleider van allemaal roept, verandert ze in minister van Feesten en Partijen. Ze struint alle borrels, concerten en optredens van het land af en doet zich daarop tegoed aan de glazen rood. Merlot bij voorkeur, want net als haar verre voorganger Halbe Zijlstra, ontbeert ze smaak. Zo toog ze ieder jaar naar Parijs om aanwezig te zijn op ‘Le Boekenbal’, maar moest daar de aanwezigen vertellen dat er dit jaar – helaas, ze kon er niets aan doen – wéér geen extra geld was voor de cultuursector. Een lovende speech kon er gelukkig wel van af. En daarna snel terug naar de wijn, om de volgende morgen, ondanks de halve strip aspirines, met zeulende hoofdpijn de Thalys terug naar Nederland te nemen. Ook Oerol en Noorderslag mochten zich met haar aanwezigheid verblijden,
waarbij Van Engelshoven, nadat ze helaas moest vertellen dat Noorderslag het voortaan zonder subsidie moet doen (‘Er is gewoon geen geld meer,’ verzuchtte ze voordat ze een bierdouche kreeg), tot in de late uurtjes op de dansvloer of in de buurt van de bar te vinden was, waarna ze zwalkend en uitgeput een vergoed hotelbed opzocht.

Net zoals studenten houdt de minister van Hoger Onderwijs van uitslapen. Het enige verschil is dat velen om fysiek college te kunnen volgen vroeg uit bed moeten, omdat een kamer in de binnenstad onbetaalbaar is. Ingrid van Engelshoven heeft daar gelukkig geen last van: zij boekt gewoon een hotelletje in de buurt. Want voor half tien ’s ochtends in Amsterdam aanwezig zijn is ondragelijk voor een inwoner van Den Haag. Dan moet je om, eens zien, acht uur de deur uit! Dat vindt Ingrid zielig voor haar persoonlijke chauffeur. Dus toen ze bij het Topontbijt in The College Hotel aan de Roelof Hartstraat op Internationale Vrouwendag in 2019 aanwezig wilde zijn, móest ze wel daar overnachten, ze had haar schoonheidsslaapje nodig, al kostte het € 174,53. Niet voor haar, uiteraard. Ik hoop dat ze wat heeft opgestoken van Henk Otten en Jort Kelder die haar tussen de croissants en de verse jus door het belang van vrouwen aan de top uitlegden.

Het is best te begrijpen dat, als de minister op maandagmorgen in Vlissingen moet zijn, ze de avond ervoor afreist en een nacht blijft tukken. Maastricht, ook prima te begrijpen. West-Friesland, net boven Amsterdam, is een ander verhaal. Op zondag 6 oktober 2019 bezocht Ingrid de vier uur durende opera Così Fan Tutte in onze stad. Dodelijk vermoeiend, dat begrijp ik, maar gelukkig was het om 18:00 afgelopen. Snel de klaarstaande BMW in en misschien was ze thuis voordat Tom Egberts de eerste aftrap aankondigde. Maar ze wilde nog één glas van die voortreffelijke Franse Merlot die ze in de Stopera hebben. En nog één. Eéntje, toe, alsjeblieft. Gelukkig kon ze voor € 136,- in haar vertrouwde suite in The College Hotel haar roes uitslapen en was ze de volgende dag brak, maar op tijd aanwezig in Wognum. Hoe ze het best haar kater kan verbergen heeft ze
geleerd van Mediavrouw, het communicatiebureau dat ze in het begin van haar ministerschap in de arm nam. ‘De functie maakt jou niet, maar jij maakt wel de functie,’ is het motto van het bedrijf. Voor € 925,- kreeg ze mediatraining en leerde ze dat de keuze voor een vrouw in een toppositie draait om kwaliteit, niet om geslacht. Tijd dat iemand haar gaat vertellen dat zij de uitzondering is.

Kajsa Ollongren en Wouter Koolmees zijn de neef en nicht van het staatshoofd die op Koningsdag meelopen in de parade, maar waarvan de toeschouwers geen idee hebben hoe ze normaliter de dag doorkomen. Waarschijnlijk met iets hips of technisch: ze zijn blokchainmanager of huisjesmelker, misschien ambassadeur van een NGO die in Togo aan 60 kindertjes in een klaslokaal zonder verlichting of boeken vertelt dat ze hun best moeten doen en dat ze dan alles kunnen worden. Deze paradox is wat D66 zo’n unieke partij maakt. Zo schafte jonkvrouw Ollongren, voorstander van directe democratie en meer betrokkenheid van burgers in de politiek, het raadgevend referendum af. In haar declaratiegedrag komt dit patroon ook terug. Iedere keer als deze klimaatbewuste minister het vliegtuig pakt, vraagt ze ook de VIP-service op het vliegveld aan. Een echte democraat blijft natuurlijk uit de buurt van het gepeupel. Kosten per keer? Ruim € 300,-. Tegelijkertijd heeft ze ook een abonnement op Privium waarmee ze op Schiphol de incheckrij mag overslaan. Precies, net zoals in Disneyland. Daarvoor declareert Ollongren € 260,-. Alsof je met een Tesla van de zaak ook nog de benzinerekening naar je baas stuurt.

Deze discrepantie, tussen iedereen tolereren zolang je als D66’er niet met andersdenkenden hoeft om te gaan, zien we ook terug bij Koolmees. Als minister van Integratie bezocht hij in juni 2018 VluchtelingenWerk in Utrecht en aansluitend een sociale top bij het Syrisch restaurant Syr. (Even serieus, een sociale top? Is dat een homo die spuugt voordat hij ‘m erin ramt?) Zo liet Koolmees voor de bühne zien dat hij écht betrokken is bij het welkom laten voelen van vluchtelingen. Vooral het veinzen van empathie is belangrijk, want reële betrokkenheid is niet de bedoeling. Hoe ging het eraan
toe in Syr? Schoof Koolmees zijn shakshuka op het bord van de buren? Vouwde hij falafel op in z’n servet en dumpte het in de wc? Geen idee. De rekening van € 851,14 bij Jools Meat and Eat, ‘cateringservice met passie’ (barf) op dezelfde dag als het restaurantbezoek suggereert dat Ottolenghi de enige levantijn is die hij zijn eten toevertrouwt. Maar zijn imago van sympathieke vent die geeft om Syriërs heeft Koolmees met een foto in de toko toch mooi weten te creëren.

Blijft over Koningin Kaag, de vorstin van D66. Ze staat in een aardig rijtje: Anna Paulowna, Maxima Zorreguieta, allemaal uit verre oorden geïmporteerd om het voortbestaan van de bloedlijn te garanderen. Het enige nadeel van de import is dat de dames dezelfde heerlijkheden verwachtten als in hun thuisland. De Kaagmeister heeft het voor elkaar gekregen om in de twee jaar dat ze als minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking de wereld overvloog voor ruim achtentwintigduizend euro aan VIP-services op allerhande vliegvelden te declareren. Het enige voordeel van corona: het heeft een modaal halfjaarsalaris gescheeld aan dit soort rekeningen. Overal wilde ze een koelie die haar handtas droeg, de koninklijke aankomst- en vertrekloge waar ze niet gestoord zou worden door het plebs, drie chocolaatjes (allemaal wit) op haar luxueuze stoel en een fles San Pellegrino extraordinaire ernaast. En dat niet enkel voor intercontinentale vluchten, ook op haar vluchten naar Parijs, Bremen, Krakau, Dublin, Wenen, Geneve en Zurich wilde ze de rust waar ze meende recht op te hebben. Want een half uur met Mark, Maarten of Mohammed voor de incheckbalie staan, daar is deze diplomate wier blauw bloed door d’aderen vloeit te goed voor.

Veel van het bovenstaande is een kwestie van moraal of principes, een clusterbom waarmee je een leeg merk als D66 schade kan berokkenen. De partij moet bij een splitsing kiezen tussen hooggestemde idealen en de modderige praktijk, waarna ze besluiteloos het ravijn inrijdt. Eigen belang voorop stellen en schijt hebben aan de kiezers is hufterig en onfatsoenlijk, precies de idealen waarvoor Van Mierlo de politiek inging. Maar het is pas echt smullen zodra de Haagse mores worden overtreden. En dan heb ik het niet over de IPhone-oplader die Kaag in Yangon kocht voor 42 dollar, een gevalletje zonnebril van Wouter Bos: een brommende vlieg, irritant maar niet meer dan dat. Om Sigrid Kaag op weg te helpen naar het Torentje moest ze van haar snobstatus afkomen, in de markt gezet worden. En het is daar waar bureau Speak to Inspire om de hoek kwam kijken. Bij dit Amsterdamse communicatiebedrijf volgde Kaag in de lente van 2020 een driedaagse presentatiecoaching met lessen als ‘Speech in a Day’, ‘Inspirerend presenteren’, ‘Storytelling’ en ‘Presenteren als een TEDtalk’. Alles om haar als een authentieke en gewone politica neer te zetten. Kosten: € 4407,28. Gedeclareerd bij het ministerie. En daar gaat de sneaker wringen.

‘Voor enkele uitgaven – voornamelijk in de persoonlijke representatieve sfeer – geldt dat zij geheel voor rekening van de bewindspersoon komen,’ zo staat in het Handboek voor bewindspersonen. ‘Hieronder vallen bijvoorbeeld de huur en aanschaf van extra kleding (bijvoorbeeld voor Prinsjesdag), uitgaven voor persoonlijke verzorging, kleine ontvangsten thuis en partijgerelateerde activiteiten.’ Is mediatraining voor de lijsttrekker
een partijgerelateerde activiteit? Daan Bonenkamp, hoofdvoorlichter van D66, heeft daar wel een mening over. ‘Wij hebben geen D66-campagnemedewerkers op het ministerie van Buitenlandse Zaken geplaatst. Het ministerie is van en voor ambtenaren,’ zei hij verontwaardigd toen CDA-lijsttrekker Hoekstra een campagnemedewerker een ministerie-ausweis had gegeven. Waarom zou je immers toegang moeten hebben, als je ook de rekeningen kan mailen?

De spindokters van Kaag zullen dit gaan bagatelliseren en vertellen dat het écht nodig was voor haar ministerschap en benadrukken dat Kaag de cursus volgde voordat ze aankondigde om lijsttrekker te worden. Geloofwaardig is het niet, maar oké, voor deze keer krijgen ze het voordeel van de twijfel. De jongens met een strippenkaart van de Ace & Tate juichen, handenklappen. Ze vergeten enkel de Kaagblockbuster van de NPO waarin ze spelen. Daarin vertelde Kaag zelf dat ze vorig jaar februari, precies de week voordat haar lessen bij Speak to Inspire begonnen, erover nadacht om lijsttrekker te worden. Ze heeft zelf haar hoofd op het hakblok gelegd, het was slechts wachten totdat iemand het vonnis zou vinden.

‘Het lijdt geen twijfel, dat ik zeer slecht ben,’ schreef Reve in Een Circusjongen. D66 daarentegen is de partij van optimisme, integriteit en geloof in menselijke rechtvaardigheid. Misschien wilde u zelfs Kaag uw stem gunnen, ongeacht de vluchtelingen die in Moria creperen of ons land overspoelen, belastingen die te hoog of te laag zijn, de bijstandsuitkering die te ruimhartig of te karig is, klimaatverandering die te snel of te langzaam gaat, privacyinbreuk die te ver of niet ver genoeg gaat. U had een door nuance verdampte mening, bonafide en solide. D66 als Volvo van de politiek. Blijkt die tweedehands autohandelaar u toch te hebben opgelicht.

TD

Kan u de geëvolueerde versies van Charmander, Bulbasaur en Squirtle uit uw hoofd opdreunen? Weet u wat bonkers zijn en hoeveel kleintjes één bonker waard is? Gefeliciteerd. De kans is groot dat wij in dezelfde jaren rondom een stoeptegel op het schoolplein hurkten om glazen balletjes in het gat te wippen; wij kunnen samen hebben geknikkerd. En dat geeft u het privilege om mij bij mijn voornaam aan te spreken, mij te tutoyeren – teuntoyeren, zo u wilt.

Als PC een blad van onze oosterburen was geweest had dit niet gekund. En dat komt niet doordat satire en humor even zeldzaam zijn als een Duitse weigerambtenaar. In de Bondsrepubliek houden ze van respect, gezag en orde, daarom spreken ze daar van Herr Doktor, Herr SS-Obersturmfüher en Herr Professor. Het is allemaal rigide en star en biedt geen ruimte voor maatwerk, dus ik vind mijn knikkernorm beter.

Ronit Palache heeft niet met Renate Rubinstein geknikkerd. Het is daarom verwonderlijk dat ze in de inleiding van Bange mensen stellen geen vragen Rubinstein steeds Renate noemt. (Waar ik verwonderlijk zei bedoel ik achterlijk, stop de tijd.) Dit soort pre-puberale jovialiteit moet Palache maar bewaren voor haar kleuterjuf. (Even terzijde: wat een kankerkleuterjuf moet zij hebben gehad. In een interview met Jannetje Koelewijn zegt Palache dat ze de eerste zin van Niets te verliezen en toch bang práchtig vindt. Komt de eerste zin: ‘Maandag. Kloten. Man weg. Koffers gepakt. Verdwenen. Moest nog wel even zeggen dat-ie tien jaar ongelukkig was geweest.’ Die rekentoets op de Pabo stelt inderdaad niet veel voor.)

Als ik een cultuurpessimist was geweest, een Burkerukker, had ik dit biggetjesgedrag verklaard door te wijzen op de wagenwijd openstaande deuren van de hedendaagse universiteit en te stellen dat Herr Professor studenten geen mores meer leert. Maar Palache heeft gelukkig nog nooit een universiteit van binnen gezien, dus daar kan het niet aan liggen. Nul studiepunten behaald aan een academie, maar ze heeft wel een promotieplek aan de Universiteit van Amsterdam gekregen. Na een ‘geleerd gesprek’ met Irene Zwiep, hoogleraar Hebreeuws. Noemen ze de creditcard van papa tegenwoordig zo? Je zal maar één van de zeshonderd (ik herhaal: zeshonderd) sollicitanten zijn geweest aan de Faculteit der Geesteswetenschappen die smeekten om één van de vijf promotieplekken. Met in je ene hand het diploma van je dubbele onderzoeksmaster cum laude en in de andere een algemene afwijzingsbrief. En een huppelkut haalt haar talenten uit haar bh en mag de rij overslaan.

Wat er tijdens een ‘geleerd gesprek’ is besproken blijft binnenskamers, dus ik grijp naar de publieke middelen om de hersenkronkels van Palache te doorgronden. Twee inleidingen van bloemlezingen, een van Ischa Meijer en een van Rubinstein, dat is wat op haar palmares staat. En slaat het ergens op? Ik bladerde door de inleiding, zag veel jaartallen, namen en ander Wikipediamateriaal. Maar het is oneerlijk om haar hier op af te rekenen. Op pagina veertien begon ik te lezen. Serieus lezen. De eerste zin verbaasde me, een beetje. Misschien ben ik gewoon wat te naïef voor deze wereld. Wat was er aan de hand? Palache schrijft dat Rubinstein, excuses ‘Renate’, zich inschreef ‘voor de studie PSF’. PSF? Wat is dat? Gelukkig wordt de zin begeleid door een asterisk, onderaan de pagina staat: ‘De Politiek-Sociale Faculteit (PSF), later Faculteit der Sociale Wetenschappen (FSW) en thans Faculteit der Politieke en Sociaal-Culturele Wetenschappen.’ Even voor de volledigheid: de aanhalingstekens in de vorige zin komen van mijn hand, in het boek zijn ze niet te vinden. Wat dat betekent voelt u misschien wel aankomen.

Goed. Wat valt op aan deze zin? Misschien had de auteur aan een universiteit kunnen leren dat een faculteit geen studie is. Je schrijft je in aan een faculteit of voor een studie. Beste Ronit, een contaminatie heet dat. Moeilijk woord, ik begrijp het, maar onthoud het, want het kan je later nog van pas komen. (Ik weet dat ik je niet mag tutoyeren, maar soms ben ik een stoute jongen.) Op het woord ‘thans’ kom ik zo terug. Want een zin kan nog zo veel opsmuk bevatten om een beetje goed voor de dag te komen, hij is vergelijkbaar met het gezicht van Palache: als je de aangebrachte tierelantijntjes er afschraapt blijft er weinig over. Die Faculteit der Politieke en Sociaal-Culturele Wetenschappen klinkt als een faculteit waar mijn studie (politicologie) onder zou vallen. Dat deed hij ook, tot begin deze eeuw. Sindsdien is het de Faculteit der Maatschappij- en Gedragswetenschappen. Begrijp me niet verkeerd, hoe het vroeger was lijkt mij veel leuker: geen psychologen en andere neuronazi’s, dat moest een feest zijn. Hoe komt Palache dan aan het woord ‘thans’, een ouderwetse edoch opvallende formulering; een woord dat enkel bejaarden gebruiken. En dat klopt ook, want Joop Ellemers was al 67 of 68 toen hij deze frase woord voor woord als openingszin in een bijdrage in de Sociologische Gids in 1998 schreef. Slechts één willekeurige zin van de inleiding gelezen en die is jatwerk. In Mattheüs 7:7 staat ‘zoekt en gij zult vinden’. Zoek niet en u krijgt de misbaksels van Ronit.

Voor het letterlijk overnemen van andermans werk zonder bronvermelding bestaat een woord. U kent het, want u studeert of hebt gestudeerd en weet dat knip-en-plakwerk niet de academische maatstaf is. Ik ken het: ik heb bijna 500 studiepunten verzameld aan deze en gene universiteit en in iedere studiehandleiding van een vak staat dat het niet de bedoeling is om andermans stukken te kopiëren. Mijn studenten kennen het, want als zij dit in hun werkstukken doen, stuur ik ze naar de examencommissie die ze zal berispen voor fraude en mogelijk van de universiteit verwijderen. Palache heeft echter nog nooit van plagiaat gehoord, maar dat kan ik haar ook niet kwalijk nemen, ze heeft immers niet gestudeerd: zij hult zich in een doorschijnende mantel van onwetendheid, het perfecte kledingstuk om domheid publiekelijk mee te verbergen. En zo zien we dat Shylocks pond vlees gelijk over haar beide side boobs is verdeeld. Misschien moet professor Zwiep even nadenken of de prijs van dertig zilverlingen voor een promotieplek niet te laag was nu ze daarvoor een handelaar in andermans werk heeft binnengehaald. Voor een informatief gesprek kan ze Jan Six bellen.

TD

Peinzend keek Joris Destree naar de massieve Kerstbiefstuk op zijn bord. Rare jaren waren het geweest. Het begon met die dokter die zei dat het uitgezaaid was, zijn kanker, maar dat er gelukkig heel goede chemotherapie was voor zijn tumor. Hij was even perplex geweest, maar had haar toen toegebeten: “Chemo komt er bij mij niet in. Dat is ontwikkeld met dierproeven en daar ben ik principieel op tegen.” Ze had nogal laconiek gereageerd, en hem het adres van een goede gebedsgenezer gegeven, de enige in haar branche die het zonder dierproeven kon stellen.

In de maanden daarna ging het toch knellen. Uitgezaaide kanker is geen pretje en met zo’n veganistisch dieet val je dan ook snel af. Uiteindelijk was hij toch maar teruggegaan naar het ziekenhuis met dat enorme proefdiergebouw er naast. De dokter was heel aardig geweest en wonder boven wonder reageerde de kanker nog heel goed op de chemo. Wel had ie zijn veganistische dieet op moeten geven. “Dat combineert niet met chemo”, had ze gezegd.

Drie jaar was het goed gegaan. Hij was een geluksvogel hadden ze gezegd in het kankerinstituut. Een volledige remissie en weinig bijwerkingen, maar ja die remissies duren niet eeuwig, dus nu de kanker terugkwam moest er iets nieuws worden bedacht. Ze gingen een stukje van zijn tumor in een muis implanteren en dan kijken of de experimentele middelen die ze nog op de plank hadden iets tegen die tumor deden. Ja, die muis was wel genetisch gemanipuleerd (gemodificeerd, zei de dokter zuinigjes), want het immuunsysteem van die muis was grotendeels uitgeschakeld; anders wordt uw kanker afgestoten.

Daar had Joris het wel even moeilijk mee gehad. Konden ze niet een stuk van de tumor in de reageerbuis testen? Daar las je toch aldoor over in de kranten, alternatieven voor dierproeven? De dokter had het weggewuifd: “Dat werkt nog voor geen meter; meer politieke hype dan realiteit”. “Maar”, had Joris aangedrongen, “is dat niet zielig voor die muis?” De dokter had hem toen uitgelegd dat die muizen een luizenleven hadden in het kankerinstituut, heel wat beter dan in de vrije natuur, waar de muizen niet oud worden en eindigen als het snoepje van de week voor passerende uilen, buizerds en vossen. In het kankerinstituut werd van iedere muis een muizenwelzijnsdagboek bijgehouden en de overheid zag er nauwlettend op toe dat dit zorgvuldig gebeurde. Dat we in Nederland zo achterlopen bij de bestrijding van Covid-19, onvoldoende test en trace, geen tijdige vaccinatie, komt juist omdat het muizenwelzijn voorrang heeft bij onze regering

De dokter had hem ook nog gevraagd of ie zelf wel een muizenwelzijnsdagboek bijhield van de muizen in zijn keukenkastje. Dat was een pijnlijk onderwerp. Hij had het wel geprobeerd, maar het waren er zo veel. Een tijd lang had ie gepoogd om ze te vangen en naar het bos te brengen, maar die krengen beten en er kwamen er steeds meer. Toen Anja ook nog wegliep omdat ze het niet meer verdroeg, de stank, de muizen die in de keuken tegen je benen opklommen, toen had hij toch maar vergif gekocht.

Achteraf gezien, had hij wel veel geluk gehad. Opnieuw hadden ze in het kankerinstituut een middel weten te vinden waar zijn kanker weer door slonk. Nu zijn huis geen dierenstal meer was, had ie ook een nieuwe vriendin. Joris nam een flinke hap van zijn biefstuk en besloot, nog voor het eind van 2020, een fors bedrag aan het kankerinstituut te schenken.

Piet Borst
(redacteur 1954-1957)

De NPO heeft weer eens een nieuwe talkshow. In dit format ontvangt de presentator zijn gasten niet in een studio, maar gaat hij naar hen toe, en moeten zij maar zien waar ze de door hem meegesleepte ovale tafel kwijt kunnen. Nog niet zo lang geleden werd van het publiek verwacht dat het naar het Westergasterrein zou komen. Zelf ben ik ook ooit naar zo’n talkshow gegaan. Niet vrijwillig natuurlijk, want ik ben niet gek. Ik liep stage bij een stichting die Herman Pleij in de arm had genomen om een boekje te schrijven over de geschiedenis van geluk. Meer kan ik er ook niet van maken. Die maandag was ik begonnen met werken op de persafdeling, en woensdagavond zou Pleij aanschuiven bij de talkshow. Ik mocht direct mee. Het zou leerzaam voor me zijn.

Die avond verscheen ik op tijd voor de deur van het mediacafé. Niet veel later arriveerde ook de persvoorlichter van de stichting. De bewaker, die niets aan niemand vroeg maar wel driftig om zich heen keek, liet ons direct door. Terwijl we binnen onze jas ophingen, legde de persvoorlichter het belang van zo’n talkshow voor een campagne uit. Het had iets te maken met een miljoenenpubliek. En nee, het was niet makkelijk om de redactie te overtuigen van een bepaalde gast. ‘DWDD regelen is gewoon lastig,’ aldus de persvoorlichter. Hij bekeek mij nog eens. ‘Jij gaat DWDD niet regelen. Of ja, heel misschien, als je echt goed bent.’ Ik begreep dat mijn stage mislukt zou zijn als ik DWDD aan het eind niet minstens één keer zou hebben ‘geregeld’. Niet dat we die avond naar DWDD gingen, maar dat zou ik ook zeker nog wel eens meemaken, zo beloofde hij. Eerst wilde ik dit maar eens overleven.

We liepen naar de balie waarachter het meisje zat dat ons toegang ging verlenen tot de ‘backstage’. Pleij zou later arriveren, dus het moest ons zonder bekende kop lukken om binnen te komen. Helaas: onze namen stonden niet op de lijst. Pas na een hoop telefoontjes kwam het meisje achter haar desk vandaan om een deur voor ons te openen. Die leidde naar een brandtrap, die op zijn beurt weer leidde naar een zolder. De muren waren beplakt met fotobehang van Amsterdam, en er stond een grote leren loungeset. Hier konden we, ver weg van het publiek beneden, wachten tot Pleij was gearriveerd, had gegeten en klaar was in de schmink. 

De uitzending was een succes. Te gast waren behalve Pleij Kees van der Staaij, een vrouw die een sekssite runde en enkele andere gasten die ik ben vergeten. De eigenaresse van de sekssite reageerde op alle ophef die was ontstaan naar aanleiding van reclamespotjes waarin jonge vrouwen (veelal studentes) zich aanboden als high class escort. Kees van der Staaij vroeg zich af of dat wenselijk was, of je vrouwen voor deze keuze moest stellen, en of vrouwen überhaupt eigenlijk wel in staat waren tot het nemen van beslissingen. De rest van de tafel (allemaal mannen, dat weet ik nog wel) knikte bezorgd. Eigenlijk was alleen Pleij vóór de site, maar hij zat er dan ook om te praten over geluk. Achteraf nam hij de seksbijbel aan die de eigenaresse eigenlijk aan Kees van der Staaij had aangeboden, maar die het cadeau had geweigerd. 

Na afloop volgden meer privileges. Terug in het mediacafé namen we plaats aan de statafel waar volgens de persvoorlichter de presentator – laten we hem Kauw noemen – ook altijd na afloop met zijn gasten borrelde. Deze tafel verschilde in twee opzichten van de rest van het café: in tegenstelling tot het napratende publiek stonden wij, zodat we letterlijk hoger waren dan de rest. Daarnaast werd deze tafel ongevraagd voorzien van bittergarnituur en kaasstengels. Al snel na de uitzending hadden alle gasten zich inderdaad rond de vlammetjes verzameld – alleen Van der Staaij rolde direct in zijn dienstauto. Kauw zelf liet nog op zich wachten. Omdat iedereen aan tafel de eigenaresse van de sekssite negeerde, knoopte ik een gesprek met haar aan. Misschien waren deze mannen bang om direct voor hoerenloper aangezien te worden, en ik kon hoogstens de indruk wekken op zoek te zijn naar iets dat beter betaalde dan mijn stage. 

Terwijl de persvoorlichter vragend mijn kant op keek verscheen Kauw, die zichzelf nog even had omgekleed, aan de statafel. Ik schrijf omgekleed, maar daarmee bedoel ik dat hij één extra knoopje van zijn overhemd had losgemaakt. Hij wurmde zich tussen mij en de eigenaresse. ‘Vonden jullie het leuk?’ vroeg hij, terwijl hij voorover boog om een kaasstengel te grijpen. Zelf had hij het in ieder geval leuk gevonden, want hij ging aan deze tafel nog even door. Opeens leek hij een stuk minder kritisch over de site, en wilde hij het volgende van de eigenaresse weten: ‘Als ik vanavond nog anale seks met een brunette zou willen, zou je dat dan kunnen regelen?’ Het bleef even stil. De eigenaresse legde hem uit dat het zo dus absoluut niet in zijn werk ging, zoals ze ook al in de uitzending had uitgelegd dat ze geen bordeel was, maar wat hij blijkbaar de eerste keer niet had verstaan. En toch was het knap hoe hij, in al zijn horkerigheid en banaliteit, twee blonde vrouwen het gevoel kon geven dat zij geen enkel gevaar liepen in zijn aanwezigheid. 

Nu heeft Kauw dus een nieuw programma. Een talkshow waarin hij ‘bijzondere gesprekken op locatie’ voert. Ik heb er nog niks van gezien, maar ik heb er alle vertrouwen in dat de gesprekken inderdaad bijzonder zijn. Leerzaam, misschien zelfs.

TS

Wat een raar jaar, hè?’ ‘Nou, inderdaad!’ is de dialoog die 2020 kenmerkt en hopelijk zo spoedig mogelijk verdwijnt. Enerzijds omdat het daadwerkelijk een raar – eigenlijk is dat een understatement – jaar is geweest, anderzijds omdat het een cliché waar je u tegen zegt begint te worden. Maar inderdaad, het was toch echt een raar jaar, niet alleen door het verschrikkelijke coronavirus, maar voor mij was het politiek… Hoe zal ik het zeggen… Ook wel een bumpy ride. Het was me het jaartje wel.

Bij het proosten op het nieuwe jaar zegt mijn man altijd: ‘Op een rustig jaar!’ Dat dit voor 2020 niet is gelukt en in 2019 voor mij óók al niet lukte; daar heeft iedereen van kunnen meegenieten. Ik heb hem dan ook verboden dat nog een keer te doen. Hoe moeilijk het is om een rechte rug te houden in de politiek blijkt wel uit mijn laatste twee jaren aan het Binnenhof. Keer op keer proberen “ze” de zonder last gekozen parlementariërs onder de duim te houden en als je maar een moment van eigengereidheid of kritiek toont, dan ben je de sjaak in de Haagse bubbel. Dan is het slikken of stikken in partijdiscipline. Met de staart tussen de benen afdruipen via de achterdeur of met rechte rug de volksvertegenwoordigende taak oppakken. Andere smaken zijn er niet. Ja, dan maar alleen. En onafhankelijk. Prima. Politiek is niet voor bange mensen.

Maar 2020 is voor ons allemaal een “uniek” jaar geworden. Iedereen heeft een ander verhaal, maar het was zelden een success story. En wij moesten in de politiek beslissingen nemen waar we nog nooit over hadden nagedacht. Niet wetende wat de consequenties zijn van de maatregelen die wij nemen. Als we dit doen, wat betekent dat voor kwetsbare mensen, de studenten of voor de rechtsstaat. Waar Rutte zei dat hij beslissingen moest nemen met maar 50% van de informatie, moesten wij het doen met net zoveel informatie als ieder ander. Want echt wijzer werden we niet van Rutte & co. En de pers wist sowieso alles eerder. Lekken is namelijk de middle name van dit kabinet. En als je serieus probeert te achterhalen waar het de hele tijd misgaat, krijg je een wazig antwoord en een zwart gelakt stapeltje papier. Het “varen op zicht” werd daarmee óók het understatement van het jaar. We varen nog altijd in de dikke mist.

Vechten tegen de bierkaai in tijden van crisis. Dat heeft ieder Kamerlid gevormd en ieder Kamerlid heeft dat weer anders ingevuld. Ik heb dat proberen in te vullen door de rechtsstaat op één te zetten. Bizarre coronaboetes, mislukte huwelijksfeesten en ongrondwettelijke spoedwetten, ik heb mijn best gedaan een onafhankelijk geluid te laten horen. Door Grapperhaus het vuur aan het de schenen te leggen toen hij zichzelf en de coronamaatregelen volstrekt belachelijk maakte. Door het kabinet voor het blok te zetten om, na het klappen voor onze zorghelden, met een motie te komen voor een zorgbonus. Kosten: 2,2 miljard.Voelde me een echte Robin Hood. Zorgde daarmee voor een gat in de najaarsbegroting van 800 miljoen. En voor een flinke kater bij het kabinet. Daar ben ik best trots op, die kater. Dat mag je best weten.

Mijn missie is het om een luis in de pels te zijn, om mijn eigen koers als verkozen politica te varen en vernieuwende ideeën de politiek in te krijgen. In de Kamer probeer ik het échte sociale geluid te verkondigen zonder mezelf schuldig te maken aan hokjesdenken of symboolpolitiek. Wars van het identiteitsdenken en doorgeslagen feminisme waar mannen geen rol in zouden hebben. Etniciteit registreren in het hoger onderwijs, gevechtsboten naar vrouwen noemen en wegkijken voor de problematiek die speelt in bepaalde minderheidsgroepen: stop it! Ik kan geen één linkse partij noemen die primair staat voor kansengelijkheid, een toegankelijk onderwijs en groene politiek zonder een ongezonde dosis wegkijken of identiteitspolitiek. De identiteitsstrijd op rechts is overigens ook niet te harden. Het is tijd dat we religieuze minderheden als volwaardige burgers zien en dus kritiek leveren waar nodig om ook in die lagen van de samenleving emancipatie te creëren. Het gaat om verheffen, om conservatieve stromingen tegen te gaan, zodat vrouwen en seksuele minderheden ook in minderheidsgroepen als gelijken worden gezien. Daar hoort een goede dosis kritiek bij en drukken waar het pijn doet, op zijn tijd. Deze culturele verheffing kan niet hand in hand gaan zonder sociaal-economische verheffing: de politiek moet ervoor zorgen dat het onderwijs voor iedereen beschikbaar is, het leenstelsel weer plaatsmaakt voor de basisbeurs, de huren omlaag gaan en het minimumloon omhoog.

Daar heb ik geen Henk en Henk bij nodig, en ook geen partij die niet op wil komen voor ‘mensenproblemen.’ Dat doe ik dan toch echt het liefste helemaal zelf, of met gelijkgestemden. Als een splinter in de politiek. Als een feniks die verrijst uit de as. Hoe het ook loopt, ik ben nog lang niet klaar met mijn politieke strijd.

Femke Merel van Kooten-Arissen

Archief